Rb. Overijssel 10 november 2021, ECLI:NL:RBOVE:2021:4855
Gedaagde, een curator, heeft “tegenspraak” gedaan in een renvooiprocedure in een faillissementskwestie. Daar zijn partijen niet tot overeenstemming gekomen, waardoor een civiele procedure gevoerd moest worden. Eisers stellen in deze civiele procedure dat de curator geen “tegenspraak” had kunnen doen en de zaak dus moet worden terugverwezen naar de rechter-commissaris. De rechtbank oordeelt dat de wet die mogelijkheid wel geeft, en houdt de zaak aan zich. Aan eisers wordt een bewijsopdracht gegeven ten aanzien van de vraag of er sprake was van een “tegengesteld belang” toen zij leningsovereenkomsten aangingen met de (later gefailleerde) ondernemingen waarvan dezelfde persoon de bestuurder was.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 480 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 481 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 484 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 485 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 486 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 551 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 551a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 552 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 2:8 BW2
- Artikel 2:14 BW2
- Artikel 2:239 BW2
- Artikel 2:256 BW2
- Artikel 3:58 BW3
- Artikel 3:268 BW3
- Artikel 3:270 BW3
- Artikel 3:271 BW3