Rb. Oost-Brabant 4 februari 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:532

Mega 26Aiti/March Verdenking plegen van drugsfeiten, voorbereidings- en /of bevorderingshandelingen daartoe, deelname aan een criminele drugsorganisatie en voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die verboden is verklaard (Satudarah MC). Het bewijs voor de aan verdachte tenlastegelegde feiten is in beslissende mate gebaseerd op de gegevens (berichten) die zijn verkregen uit de hack van communicatiedienst Exclu. Overwegingen met betrekking tot het bewijsminimum en interpretatie van de berichten. Vrijspraak voltooide invoer van 2.000 kilogram cocaïne. Veroordeling voor het medeplegen van de handel in cocaïne, het plegen van voorbereidings- en /of bevorderingshandelingen gericht op (kort gezegd) de handel in harddrugs, deelname aan een criminele drugsorganisatie en het verrichten van handelingen gericht op de voorzetting van de verboden organisatie Satudarah MC. De rechtbank legt een gevangenisstraf op voor de duur van 8 jaar.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Team strafrecht
Parketnummers : 71.072542.23 en 71.192689.23 (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak : 4 februari 2025
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1994] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 7 juni 2023, 18 juli 2023, 12 oktober 2023, 11 december 2023, 4 november 2024,
5 november 2024, 6 november 2024 en 21 januari 2025.
Op de zitting van 12 oktober 2023 heeft de rechtbank de tegen verdachte, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte en zijn raadsman naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaken zijn aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 2 mei 2023 (ten aanzien van 71.072542.23) en 13 september 2023 (ten aanzien van 71.192689.23).

Op de zitting van 12 oktober 2023 is de tenlastelegging in de zaak met parketnummer 71.072542.23 met toepassing van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) gewijzigd.

In de zaak met parketnummer 71.072542.23 is aan verdachte tenlastegelegd dat:

l.

hij in of omstreeks de periode van 03 oktober 2022 tot en met 12 december 2022 te Enschede en/of 's-Hertogenbosch en/of Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch, en/of Tilburg en/of Zaandam en/of in/binnen de territoriale wateren van Nederland en/of (elders) in Nederland en/of Weelde, gemeente Ravels (BE) en/of Antwerpen (BE) en/of (elders} in België en/of Ecuador tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen (en/of vervolgens buiten) het grondgebied van Nederland heeft gebracht - al dan niet als bedoeld in artikel l, lid 4(en/of 5) van de Opiumwet - een totale hoeveelheid van 2000 `stuks'/kilogram of daaromtrent, althans een totale hoeveelheid van

71 `stuks'/kilogram of een of meer hoeveelheden hiervan/hieruit, in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en), (van een materiaal bevattende) (Colombiaanse) cocaïne. zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst l, in elk geval enig middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

(ZD 01 | traject 1 26AITI)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 03 oktober 2022 tot 17 december 2022 te Enschede en/of 's-Hertogenbosch en/of Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch, en/of Tilburg en/of Zaandam en/of in/binnen de territoriale wateren van Nederland en/of (elders) in Nederland en/of Weelde, gemeente Ravels (BE), en/of Antwerpen (BE) en/of (elders) in België en/of Ecuador tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een totale hoeveelheid van 2000 `stuks'/kilogram of daaromtrent, althans een totale hoeveelheid van 71 `stuks'/kilogram of een of meer hoeveelheden hiervan/hieruit, in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en), (van een materiaal bevattende) (Colombiaanse) cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, in elk geval enig middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

(een) ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of te doen plegen en/of mede te plegen en/of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen (sub 1°) en/of
zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen (sub 2°) en/of
(een) voorwerp(en) en/of vervoermiddel(en) en/of stof(fen) en/of geld(en) en/of (een) ander(e) betaalmiddel(en) voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en,/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en) (sub 3°),

hebbende hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

informatie gedeeld over de af-/herkomst en/of kosten en/of aan-/verkoop en/of (verdere) routing/handel van/in voornoemde totale hoeveelheid van 2000 `stuks'/kilogram of daaromtrent, althans voormelde totale hoeveelheid van 71 `stuks'/kilogram of een of meer hoeveelheden hiervan/hieruit, in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en), en/of
voormelde totale hoeveelheid van 2000 `stuks'/kilogram of daaromtrent geheel of gedeeltelijk gefinancierd of laten financieren en/of (per schip) laten vervoeren en/of
voormelde totale hoeveelheid van (2000 of) 71 `stuks'/kilogram of een of meer hoeveelheden hiervan/hieruit, althans (een) hoeveelhe(i)d(en), ter bestelling/verdeling ingebracht en/of aangeboden en/of uitgezet en/of daarvoor (een) aanbetaling(en) verricht en/of (een) betaling(en) geregeld/gemonitord en/of laten verrichten en/of
in het kader van genoemde activiteit(en) met elkaar middels cryptocommunicatiedienst EXCLU, althans een berichtenplatform, en/of (een) pgp-/cryptotelefoon(s) gecommuniceerd en/of contact gehad en/of gehouden en/of (een) afspra(a)k(en) gemaakt;

(ZD01 | traject 1 26AITI)

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 december 2022 tot en met 28 december 2022 te Enschede en/of 's-Hertogenbosch en/of Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch, en/of Tilburg en/of Zaandam en/of (elders) in Nederland en/of Weelde, gemeente Ravels (BE), en/of (elders) in België en/of Ecuador tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een totale hoeveelheid van 2000 `stuks'/kilogram of daaromtrent, althans een totale hoeveelheid van 36 `stuks'/kilogram of een of meer hoeveelheden hiervan/hieruit, in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en), (van een materiaal bevattende) cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst [, in elk geval enig middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst l, voor te bereiden en/of te bevorderen, (telkens)

(een) ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of te doen plegen en/of mede te plegen en/of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen (sub 1°) en/of
zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen (sub 2°) en/of
(een) voorwerp(en) en/of vervoermiddel(en) en/of stof(fen) en/of geld(en) en/of (een) ander(e) betaalmiddel(en) voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en) (sub 3°),

hebbende hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s) (telkens)

informatie gedeeld over de af-/herkomst en/of kosten en/of aan-/verkoop en/of (verdere) routing/handel van/in voornoemde totale hoeveelheid van 2000 `stuks'/kilogram of daaromtrent, althans voormelde totale hoeveelheid van 36 `stuks'/kilogram of een of meer hoeveelheden hiervan/hieruit, in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en), en/of
voornoemde totale hoeveelheid van 2000 `stuks'/kilogram of daaromtrent geheel of gedeeltelijk gefinancierd of laten financieren en/of op transport (per schip) laten zetten en/of laten inladen en/of
voormelde totale hoeveelheid van 36 `stuks'/kilogram of een of meer hoeveelheden hiervan/hieruit, althans (een) hoeveelhe(i)d(en), ter bestelling/afname ingebracht en/of aangeboden en/of uitgezet en/of
in het kader van genoemde activiteit(en) met elkaar middels cryptocommunicatiedienst EXCLU, althans een berichtenplatform, en/of (een) pgp-/cryptotelefoon(s) gecommuniceerd en/of contact gehad en/of gehouden en/of (een) afspra(a)k(en) gemaakt;

(ZD01 | traject 1 26AITI)

3.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 08 september 2022 tot en met 03 februari 2023 te Enschede en/of Tilburg en/of Eindhoven en/of Bergen op Zoom en/of 's-Gravenhage en/of (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of
(telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad

(een) hoeveelhe(i)d(en) (blokken/brokken) (van een materiaal bevattende) cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst l, in elk geval enig middel als bedoeld in de bij de Opíumwet behorende lijst I, waaronder

- op of omstreeks 08 september 2022 en/of 09 september 2022 een of meer hoeveelheden (blokken/brokken) en/of

- in of omstreeks de periode van 15 september 2022 tot en met 24 september 2022 een of meer hoeveelheden (blokken/brokken) en/of

- op of omstreeks 03 oktober 2022 en/of 04 oktober 2022 een of meer hoeveelheden (blokken/brokken) en/of

- op of omstreeks 14 november 2022 een of meer hoeveelheden (blokken/brokken)

en/of

- op of omstreeks 24 november 2022 en/of 25 november 2022 een of meer hoeveelheden

(blokken/brokken);

(ZD 02 | traject 2 26MARCH)

In de zaak met parketnummer 71.192689.23 is aan verdachte tenlastegelegd dat:

1

hij in of omstreeks de periode van 08 september 2022 tot en met 03 februari 2023 te Tilburg en/of Zaandam en/of Enschede en/of ‘s-Hertogenbosch en/of Rosmalen, gemeente ’s-Hertogenbosch, en/of (elders) in Nederland en/of Weelde, gemeente Ravels (BE), en/of (elders) in België heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) hem, verdachte, en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid en/of 10a eerste lid Opiumwet;

(ZD 08)

2

hij in of omstreeks de periode van 08 september 2022 tot en met 03 februari 2023 te Tilburg en/of Zaandam en/of Enschede en/of ’s-Hertogenbosch en/of Rosmalen, gemeente ’s-Hertogenbosch, en/of Breda en/of Heerhugowaard, gemeente Dijk en Waard, en/of (elders) in Nederland en/of Weelde, gemeente Ravels (BE), en/of (elders) in België tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing van 13 november 2020 verboden is verklaard, te weten [motorclub 1] (Motorcycleclub), heeft voortgezet, immers hebbende/zijnde hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s) - deel uitgemaakt van en/of (versleuteld) gecommuniceerd/gechat in een of meer (chat)groepen van cryptocommunicatiedienst EXCLU, in/middels welke (chat)groep(en) verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) en/of (een of meer) andere leden van [motorclub 1]

- werd(en) geïnformeerd en/of zich heeft/hebben laten informeren over en/of op de hoogte werd(en) gebracht/gehouden en/of zich op de hoogte heeft/hebben laten brengen/houden van en/of uitgenodigd voor een of meer [motorclub 1] gerelateerde evenementen en/of festiviteiten en/of clubavonden en/of meetings en/of vergaderingen en/of ride-outs en/of condoleances en/of uitvaarten/crematies en/of

installaties en/of bevorderingen en/of kennistoetsen/-afnames en/of reizen en/of de heffing/betaling van contributie en/of (andere) [motorclub 1] gerelateerde (promotie-)activiteiten en/of ontwikkelingen en/of

- werd(en) opgeroepen en/of uitgenodigd tot en/of aangesproken op (verplichte) aanwezigheid en/of het (verplicht) dragen van clubkleding/-colors bij en/of het (verplicht) komen met de motor/bike naar en/of financiële ondersteuning van (een of meer van) (die) evenementen en/of festiviteiten en/of clubavonden en/of meetings en/of vergaderingen en/of ride-outs en/of condoleances en/of

uitvaarten/crematies en/of installaties en/of bevorderingen en/of kennistoetsen/-afnames en/of reizen en/of het betalen van contributie en/of (andere) [motorclub 1] gerelateerde (promotie-)activiteiten en/of

- werd(en) geïnformeerd en/of op de hoogte werd(en) gebracht/gehouden en/of werd(en) bevraagd en/of werd(en) uitgenodigd en/of om toestemming werd(en) gevraagd naar gelang/op basis van en/of met inachtneming/oog van/voor zijn/hun rang binnen [motorclub 1] en/of met/in (een) (voor de clubcultuur/-binding bevestigende/bestendigende) begroeting(en)/bewoording(en) (zoals ‘ [slogan] ’) en/of

- werd(en) opgeroepen en/of uitgenodigd tot en/of aangesproken op het (vanuit Nederland) bedienen en/of ondersteunen van (een of meer) (activiteiten van) [motorclub 1] -chapters in Nederland en/of in het buitenland en/of

- (zelf) heeft/hebben bericht en/of gereageerd en/of geïnformeerd en/of opgeroepen en/of geadviseerd en/of geïnstrueerd en/of om toestemming gevraagd ten behoeve/in het kader van (een of meer van) (voornoemde) [motorclub 1] gerelateerde (promotie-)activiteiten en/of ontwikkelingen en/of

- (hiertoe) (elk) (een) pgp-/cryptotelefoon(s) voorhanden en/of ter beschikking gehad en/of

- een of meer van voornoemde (chat)groepen van EXCLU aangemaakt en/of aan laten maken en/of gebruikers/accounts toegevoegd en/of toe laten voegen en/of

- een of meer (van voornoemde) [motorclub 1] gerelateerde (promotie-)activiteiten (mede) voorbereid en/of laten voorbereiden en/of geregeld en/of laten regelen en/of ondersteund en/of laten ondersteunen en/of georganiseerd en/of laten organiseren en/of (verplicht) bezocht/bijgewoond en/of

- in zijn, verdachtes, rang van Nomad verantwoordelijk voor en/of contact onderhouden met een of meer [motorclub 1] -chapters in Nederland en/of in het buitenland en/of dat/die chapters (vanuit Nederland) bediend en/of ondersteund en/of

- op of omstreeks 29 september 2022 en/of 30 september 2022 een ( [motorclub 1] gerelateerde) condoleance en/of rouwstoet en/of - middels/via Youtube uitgezonden en/of (later) te volgen/bekijken - uitvaart per/met (de) motor/bike en/of in clubkleding/-colors (verplicht) bezocht en/of (verplicht) laten bezoeken en/of (verplicht) bijgewoond en/of (verplicht) laten bijwonen en/of

- zich laten informeren over en/of voorbereidingen getroffen en/of laten treffen voor en/of afgereisd naar de ‘Promo’ van 21 oktober 2022 te Indonesië (Ambon), alwaar een van verdachtes mededaders werd bevorderd tot/in de rang van Kapikane, en/of

- clubkleding/-colors/-attributen/-artikelen gedragen en/of voorhanden gehad en/of (aldus/daarmede) ter beschikking en/of ter aanlevering/gebruik (voorhanden) gehad/gehouden voor (voormelde) [motorclub 1] gerelateerde evenementen en/of festiviteiten en/of clubavonden en/of meetings en/of

vergaderingen en/of ride-outs en/of condoleances en/of uitvaarten/crematies en/of installaties en/of bevorderingen en/of reizen en/of (andere) [motorclub 1] gerelateerde (promotie-)activiteiten.

(ZD 09)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officieren van justitie kunnen in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De aanleiding van het opsporingsonderzoek.

Door het Team Criminele Inlichtingen is op 15 juli 2022 de informatie gedeeld dat [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ), [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ) en een vierde persoon nog steeds de absolute leiders zijn van de verboden motorclub [motorclub 1] , dat zij zich bezig houden met (onder meer) de handel in verdovende middelen en het plegen van andere strafbare feiten en in dat kader opdracht geven aan leden van [motorclub 1] . Er was ook informatie van het Nationaal Informatie Knooppunt “ [motorclub 7] ” binnengekomen dat [motorclub 1] wordt voortgezet onder de naam [motorclub 2] en dat de colors van die club bijna één op één lijken op die van [motorclub 1] en de daaraan gerelateerde clubs. Op 4 augustus 2022 is om die reden het onderzoek 26March gestart.

Daarnaast liep sinds 28 april 2022 bij het Landelijk Parket het strafrechtelijk opsporingsonderzoek 26Lytham. Dit onderzoek richtte zich op de gebruikers van de versleutelde communicatiedienst Exclu. Het doel van dit onderzoek was de gebruikers van deze communicatiedienst te identificeren en de vermoedelijke criminele georganiseerde verbanden en de vermoedelijke strafbare feiten die in dat verband gepleegd of beraamd werden inzichtelijk te maken. Om dit te kunnen bereiken zijn meerdere technische acties uitgevoerd. Op die manier konden berichten, die door middel van deze communicatiedienst werden verstuurd, ontsleuteld en meegelezen worden. In de periode van 3 oktober 2022 t/m 5 februari 2023 is het mogelijk geweest om live mee te kijken met het berichtenverkeer. Eerder verstuurde berichten konden tot 8 september 2022 worden teruggelezen.

Op grond van de ontsleutelde Exclu-berichten en de inzet van een aantal bijzondere opsporingsbevoegdheden in het onderzoek 26Lytham, is [medeverdachte 1] als mogelijke gebruiker van deze communicatiedienst geïdentificeerd. Ook meerdere van zijn tegencontacten konden geïdentificeerd worden. Na analyse van de beschikbaar gekomen berichten werd bevestiging gevonden in het vermoeden dat [medeverdachte 1] en anderen zich bezig hielden met de handel in verdovende middelen. Op basis van die berichten en na inzet van ook andere bijzondere opsporingsbevoegdheden (al dan niet in onderzoek 26Lytham en/of 26March) werden ook [verdachte] (hierna: [verdachte] ), [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ), [medeverdachte 2] , [medeverdachte 6] (hierna: [medeverdachte 6] ), [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5] ), [medeverdachte 8] (hierna: [medeverdachte 8] ) en [medeverdachte 7] (hierna: [medeverdachte 7] ) als mogelijke gebruikers van Exclu geïdentificeerd en zijn deze, evenals [medeverdachte 1] , in onderzoek 26March als verdachten van het plegen van strafbare feiten in beeld gekomen.

Onderzoek 26March heeft uiteindelijk geleid tot meerdere verdenkingen tegen voornoemde personen die al dan niet in georganiseerd verband zich bezig hebben gehouden met het plegen van strafbare feiten. Op de landelijke actiedag op 3 februari 2023 zijn meerdere verdachten aangehouden, vonden in verschillende woningen en voertuigen doorzoekingen plaats en werden meerdere voorwerpen in beslag genomen. Omdat op deze actiedag niet alle verdachten aangehouden konden worden, is ter afscherming van onderzoek 26March een afzonderlijk opsporingsonderzoek onder de naam 26Aiti opgestart. Na de aanhouding van de overige verdachten is op 6 maart 2023 de noodzaak tot afscherming van onderzoek 26March komen te vervallen en werden de op 3 februari 2023 aangehouden verdachten in onderzoek 26Aiti medegedeeld dat zij ook als verdachten waren aangemerkt in onderzoek 26March. De onderzoeksbevindingen van beide onderzoeken zijn gevoegd in één doorgenummerd politieproces-verbaal en is het onderzoek 26Aiti/March komen te heten.

De tenlastegelegde feiten

Het procesdossier bestaat onder meer uit negen zaaksdossiers waarin de onderzoeksbevindingen naar de vermoedelijk gepleegde strafbare feiten zijn neergelegd. De verdenkingen die voortvloeien uit deze zaaksdossiers komen erop neer dat de verdachten (al dan niet tezamen) zich schuldig hebben gemaakt aan:

het invoeren van een partij cocaïne (zaaksdossier 1);
het plegen van voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen gericht op het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen en het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van hoeveelheden cocaïne, MDMA, amfetamine en metamfetamine (zaaksdossiers 1, 2, 4 en 6);
het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en aanwezig hebben van hoeveelheden cocaïne, MDMA en metamfetamine (zaaksdossiers 2, 3, 5 en 7);
het deelnemen aan een criminele drugsorganisatie (zaaksdossier 8) en
het voortzetten van de werkzaamheid van een organisatie ( [motorclub 1] ) die verboden is verklaard (zaaksdossier 9).

De standpunten.

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben op de in het schriftelijk requisitoir uitgewerkte gronden gevorderd dat de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van:

feit 1 primair, feit 2 en feit 3 in de zaak met parketnummer 71.072542.23 en
feit 1 en feit 2 in de zaak met parketnummer 71.192689.23.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft op de gronden vervat in de door hem overgelegde pleitnota betoogd:

(1) dat verdachte moet worden vrijgesproken van:

feit 1 primair in de zaak met parketnummer 71.072542.23;
feit 1 en feit 2 in de zaak met parketnummer 71.192689.23;

(2) dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van:

feit 1 subsidiair in de zaak met parketnummer 71.072542.23, met dien verstande dat slechts 71 kg kan worden bewezen;
feit 2 in de zaak met parketnummer 71.072542.23, met dien verstande dat slechts 36 kg kan worden bewezen;
feit 3 in de zaak met parketnummer 71.072542.23, met de opmerking dat - als het gaat om de drugshandel op 3 en/of 4 oktober 2022 - dit grammen zijn geweest.

De opbouw van het vonnis.

De rechtbank zal hierna eerst ingaan op de identificatie van de verdachten als gebruikers van de aan hen toegeschreven Exclu-accounts. Daarna zal de rechtbank in zijn algemeenheid een aantal overwegingen wijden aan het bewijsminimum, de interpretatie van de Exclu-berichten en de aard van voorbereidings- en bevorderingshandelingen. Vervolgens zal de rechtbank per zaaksdossier de vraag behandelen of de verschillende verdenkingen die daaruit voortvloeien tot een bewezenverklaring kunnen leiden. Daarna zal de rechtbank zich uitlaten over de vraag of, en zo ja, welke straf(fen) aan verdachte(n) opgelegd zal/zullen worden. Tot slot zal de rechtbank beslissen wat er moet gebeuren met de onder hen in beslag genomen voorwerpen (voor zover er nog beslag op rust) en of verdachten weer in voorlopige hechtenis moeten worden genomen.

De rechtbank merkt in dit kader afrondend nog op dat de raadslieden van vrijwel alle medeverdachten zich bij elkaars verweren hebben aangesloten. Daarom zal de rechtbank haar oordeel met betrekking tot de gevoerde verweren in de vonnissen van alle verdachten opnemen, tenzij dit door de rechtbank niet relevant wordt geacht in de betreffende zaak/zaken van de verdachte(n).

De bewijsmiddelen.

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze uitwerking is als bijlage bij dit vonnis gevoegd. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

De rechtbank overweegt daarbij dat zij het dossier in zijn geheel heeft beschouwd en dat de ten laste gelegde feiten en de gedachtestreepjes waarin de afzonderlijke feitelijke gedragingen zijn vervat niet los van elkaar, maar in onderling verband en samenhang, zijn bezien. Dit betekent onder meer dat de rechtbank bij de beoordeling van de feiten in het kader van een bepaald zaaksdossier tevens stukken uit andere zaaksdossiers van het onderzoek heeft betrokken.

Tot slot merkt de rechtbank op dat zij om redenen van efficiëntie in sommige zaaksdossiers er voor heeft gekozen om de bewijsmiddelen voor alle verdachten op te nemen. Dit kan betekenen dat er ook bewijsmiddelen zijn opgenomen die niet direct op deze verdachte betrekking hebben.

De bewijsbeslissing.

 De identificatie van de gebruikers van de Exclu-accounts.

Het procesdossier bevat een aantal processen-verbaal waarin, op basis van de daarin beschreven feiten en omstandigheden, een groot aantal Exclu-accounts worden toegeschreven aan de verdachten. De vraag die de rechtbank zal moeten beantwoorden is of bewezen kan worden geacht dat verdachten de gebruikers zijn geweest van de accounts die aan hen worden toegeschreven. De rechtbank komt ten aanzien van de verschillende verdachten tot het volgende oordeel.

[medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte]

Deze verdachten hebben bekend dat zij gebruikers zijn geweest van de Exclu-accounts die door het opsporingsteam aan hen zijn toegeschreven. Gelet daarop en gelet op de feiten en omstandigheden die zijn beschreven in de processen-verbaal van identificatie en de aanvullingen daarop, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat:

[medeverdachte 1] gebruiker is geweest van de accounts [accountnaam 1] ( [accountnaam 1] ) en [accountnaam 2] ( [accountnaam 2] );
[medeverdachte 2] gebruiker is geweest van het account [accountnaam 3] ( [accountnaam 3] ) en
[verdachte] gebruiker is geweest van de accounts ( [accountnaam 4] ) [accountnaam 5] , ( [accountnaam 5] ) [accountnaam 6] , ( [accountnaam 6] ) [accountnaam 7] , ( [accountnaam 7] ) [accountnaam 8] , ( [accountnaam 8] ) [accountnaam 9] , ( [accountnaam 9] ) [accountnaam 10] , ( [accountnaam 10] ) [accountnaam 11] , en ( [accountnaam 12] ) [accountnaam 12] .

[medeverdachte 6] en [medeverdachte 3]

In de processen-verbaal van identificatie en de aanvullingen daarop zijn de Exclu-accounts [accountnaam 13] ( [accountnaam 13] ) en [accountnaam 14] ( [accountnaam 14] ) toegeschreven aan respectievelijk [medeverdachte 6] en [medeverdachte 3] . De feiten en omstandigheden die aan deze identificatie ten grondslag liggen, zijn voldoende specifiek en identificerend om tot een betrouwbare en juiste identificatie te kunnen komen van deze twee verdachten als de gebruikers van deze accounts. Van hen had daarom een redelijke verklaring mogen worden verlangd om dit te weerleggen. Zij hebben zich echter beroepen op hun zwijgrecht en hun raadslieden hebben op dit punt geen verweren gevoerd. Daarmee zijn de in voornoemde processen-verbaal beschreven feiten en omstandigheden en de conclusies van het opsporingsteam overeind blijven staan. De rechtbank acht dus bewezen dat [medeverdachte 6] en [medeverdachte 3] de gebruikers zijn geweest van de Exclu-accounts [accountnaam 13] respectievelijk [accountnaam 14] .

[medeverdachte 4]

heeft bekend dat hij gebruiker is geweest van de accounts [accountnaam 15] ( [accountnaam 15] ), [accountnaam 16] ( [accountnaam 16] ), [accountnaam 17] ( [accountnaam 17] ), [accountnaam 18] ( [accountnaam 18] ), [accountnaam 19] ( [accountnaam 19] ) en [accountnaam 20] ( [accountnaam 20] ). In combinatie met de inhoud van de desbetreffende processen-verbaal van identificatie en de aanvullingen daarop, is daarmee bewezen dat verdachte de gebruiker is geweest van voornoemde Exclu-accounts.

[medeverdachte 4] heeft betwist dat hij de gebruiker is geweest van de accounts [accountnaam 21] ( [accountnaam 21] ) en [accountnaam 22] ( [accountnaam 22] ). Hij heeft dit in een schriftelijke verklaring uitgebreid toegelicht en op de zitting heeft verdachte naar die verklaring verwezen en daarin volhard. Hoewel er aanwijzingen in het dossier zijn dat [medeverdachte 4] ook de gebruiker van deze accounts is geweest, zal de rechtbank de verdere beantwoording van die vraag in het midden laten. De berichten die met deze accounts zijn verstuurd en/of ontvangen dragen namelijk niet bij tot het bewijs van enig tenlastegelegd feit.

[medeverdachte 5]

In de processen-verbaal van identificatie en de aanvullingen daarop worden aan [medeverdachte 5] de Exclu-accounts [accountnaam 23] ( [accountnaam 23] ), [accountnaam 24] ( [accountnaam 24] ), [accountnaam 25] ( [accountnaam 25] ), [accountnaam 26] ( [accountnaam 26] ) en [accountnaam 27] ( [accountnaam 27] ) toegeschreven. De feiten en omstandigheden die aan deze identificaties ten grondslag liggen, zijn voldoende specifiek en identificerend om de conclusie te kunnen dragen dat verdachte de gebruiker is geweest van deze accounts. Van hem had daarom een redelijke verklaring mogen worden verlangd om dat te weerleggen. Verdachte heeft een dergelijke verklaring echter niet gegeven en zich beroepen op zijn zwijgrecht. De raadsman van verdachte heeft met betrekking tot de accounts [accountnaam 23] , [accountnaam 26] en [accountnaam 24] geen nadere verweren gevoerd. De in voornoemde processen-verbaal beschreven feiten en omstandigheden en de conclusies van het opsporingsteam zijn daarmee overeind blijven staan. De rechtbank acht op grond daarvan bewezen dat [medeverdachte 5] de gebruiker is geweest van deze Exclu-accounts.

De raadsman heeft betwist dat verdachte de gebruiker is geweest van de accounts [accountnaam 25] en [accountnaam 27] . Hij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat er geen persoonlijke, naar verdachte te herleiden, berichten zijn verstuurd en/of ontvangen door de gebruiker van deze accounts, dat de schrijfwijze van de berichten door de gebruiker van [accountnaam 25] en [accountnaam 27] verschillen met die van de gebruiker van de accounts [accountnaam 23] en [accountnaam 24] en dat de wachtwoorden van voornoemde accounts niet met elkaar overeenkomen.

De rechtbank komt ten aanzien van deze accounts tot het volgende oordeel.

[accountnaam 25]

Op 15 oktober 2022 vond een gesprek plaats tussen de gebruiker van het account [accountnaam 25] en het account met het nummer [accountnaam 28] . Om 11.49.59 uur vroeg [accountnaam 25] of hij deze kon “replacen”. [accountnaam 28] vroeg hierop om 11.53.01 uur aan de gebruiker van het account met het nummer [accountnaam 29] of hij een “replace” voor [accountnaam 25] mocht hebben. [accountnaam 29] stuurde om 11.56.49 uur vervolgens een licentie- of activatiecode door naar [accountnaam 28] , waarna [accountnaam 28] diezelfde code om 11.56.57 uur doorstuurde naar de gebruiker van het account [accountnaam 24] (dat was dus, zoals hierboven is vastgesteld, [medeverdachte 5] ). Om 12.05.37 uur berichtte [accountnaam 24] vervolgens dat hij het eindelijk weer deed.

Uit voorgaande berichten, die elkaar in korte tijd opvolgen, blijkt dat aan het account [accountnaam 24] van [medeverdachte 5] een bepaalde licentiecode is toegestuurd om een gebruikersaccount aan te kunnen maken. Kennelijk verrast dit bericht [medeverdachte 5] niet, aangezien hij niet vraagt waarom hij deze code heeft ontvangen. Integendeel, hij lijkt opgelucht te zijn dat - zo begrijpt de rechtbank - de applicatie/het account weer naar behoren werkt. Het zou ook niet voor de hand hebben gelegen een dergelijke code naar een andere persoon te sturen dan naar degene die erom heeft gevraagd. Omdat de gebruiker van het account [accountnaam 25] om een licentiecode heeft gevraagd en deze code kort daarop naar het account [accountnaam 24] van [medeverdachte 5] is toegezonden, leidt dit logischerwijs tot de conclusie dat hij als gebruiker van het account [accountnaam 25] om die code heeft gevraagd.

[accountnaam 27] Met de hiervoor genoemde licentie-/activatiecode is vervolgens het account [accountnaam 27] aangemaakt, dat op 15 oktober 2022 is geactiveerd. Uit de metadata blijkt dat het account [accountnaam 25] na 15 oktober inactief is geworden. Op 15 oktober 2022 om 09.44.54 uur vroeg de gebruiker van het account [accountnaam 25] ( [medeverdachte 5] dus) aan de gebruiker met het nummer [accountnaam 30] hoe de afspraak met die kleine was. Een reactie van [accountnaam 30] bleef op dat moment uit. Enige tijd later, om 16.31.08 uur, stuurde [accountnaam 30] een bericht aan de gebruiker van het account [accountnaam 27] , waarin met vraagtekens aangegeven werd dat hij wat gevraagd had op diens andere naam. [accountnaam 27] reageerde hierop om 17.20.22 uur en zei dat dit klopte en vroeg hoe de afspraak met die kleine was. Ook werd er op die dag door een onbekend gebleven gebruiker aan account [accountnaam 27] gevraagd: “ [accountnaam 25] ?”, waarop [accountnaam 27] antwoordde dat dit zijn nieuwe werkmail was.

Uit bovenstaande omstandigheden leidt de rechtbank af dat het account [accountnaam 27] het opvolgend account was van het account [accountnaam 25] en dat [medeverdachte 5] de gebruiker daarvan was.

De raadsman heeft er nog op gewezen dat de schrijfwijze van enige woorden in de berichten door de gebruiker van [accountnaam 25] en [accountnaam 27] verschilt met die van de gebruiker van de accounts [accountnaam 23] en [accountnaam 24] . De enkele omstandigheid dat niet steeds een consequente schrijfwijze wordt gehanteerd wil echter nog niet zeggen dat dit duidt op verschillende gebruikers van de accounts. De conclusie is dat bewezen is dat [medeverdachte 5] de gebruiker is geweest van beide accounts.

[medeverdachte 8]

In het proces-verbaal van bevindingen (opgenomen in het einddossier) en het proces-verbaal aanvulling (dat ten behoeve van de raadkamer gevangenhouding is opgemaakt) worden aan [medeverdachte 8] de Exclu-accounts [accountnaam 31] ( [accountnaam 31] ) en [accountnaam 32] ( [accountnaam 32] ) toegeschreven.

[accountnaam 31]

De feiten en omstandigheden die aan deze identificatie ten grondslag liggen, zijn voldoende specifiek en identificerend om de conclusie te dragen dat [medeverdachte 8] de gebruiker was van dit account. Van hem had daarom een redelijke verklaring mogen worden verlangd om dat te weerleggen. [medeverdachte 8] heeft een dergelijke verklaring echter niet gegeven, omdat hij zich beroepen heeft op zijn zwijgrecht. De raadsvrouw heeft geen nader verweer gevoerd. De in voornoemde processen-verbaal beschreven feiten en omstandigheden en de conclusies van het opsporingsteam zijn daarmee overeind blijven staan. Daarom kan bewezen worden geacht dat [medeverdachte 8] de gebruiker is geweest van het Exclu-account [accountnaam 31] .

[accountnaam 32]

De rechtbank neemt allereerst in aanmerking dat de hashwaarden van de wachtwoorden van accounts [accountnaam 31] en [accountnaam 32] gelijk zijn aan elkaar. De verbalisanten hebben in hun verbalen uitgelegd dat een hashwaarde een uniek nummer is hetgeen wil zeggen dat voor beide accounts hetzelfde wachtwoord is gebruikt. De officieren van justitie hebben in hun requisitoir toegelicht dat de hashwaarden niet een door een reseller gehanteerd algemeen wachtwoord inhoudt. De cryptografische hashwaarden van de wachtwoorden die gekoppeld zijn aan deze accounts zijn niet meer leesbaar terug te vinden. Daarom kan de stelling van de verdediging dat voor beide accounts een standaard wachtwoord was ingesteld niet worden geverifieerd. Wel kan uit het voorgaande aannemelijk geacht worden dat de gebruiker van de accounts (en dus niet de reseller) deze unieke wachtwoorden heeft ingesteld. Voor de stelling van de verdediging dat er sprake zou zijn geweest van een zogeheten hashbotsing is er geen begin van aannemelijkheid gegeven, aangezien deze stelling verder niet is onderbouwd. Geconcludeerd wordt dus dat voor beide accounts eenzelfde wachtwoord is gebruikt, hetgeen een sterke aanwijzing is dat die accounts door dezelfde persoon worden gebruikt.

Over de berichten van en naar de gebruiker van het account [accountnaam 32] overweegt de rechtbank het volgende. [verdachte] heeft op 24 oktober 2022 om 10.21.14 uur tegen de gebruiker van het account [accountnaam 31] ( [medeverdachte 8] ) gezegd dat [accountnaam 32] op rood stond, ook op Signal, waarop [accountnaam 31] antwoordde: “klopt gab, heb geen 4G […]”.. De rechtbank interpreteert dit gesprek zo dat [medeverdachte 8] zegt dat hij ( [medeverdachte 8] ) geen 4G-netwerk heeft en dat daarom het account [accountnaam 32] op rood staat (inactief is). Dit wijst dus in de richting van [medeverdachte 8] als gebruiker van het account [accountnaam 32] .

Op 11 januari 2023 om 14.00.40 uur zei [verdachte] tegen [accountnaam 32] dat hij iemand 49.900 moest geven, waarop [accountnaam 32] antwoordde met oké. Om 15.30.20 uur vroeg [verdachte] aan [accountnaam 32] om 49.900 klaar te leggen in een tas en dat hij zo zou zeggen waar de rest gelegd moest worden. Om 15.59.24 uur vond er vervolgens een gesprek plaats tussen [verdachte] en [medeverdachte 8] ( [accountnaam 31] ). [verdachte] vroeg of hij het al naar zijn moeder had gebracht, waarop [accountnaam 31] zei dat hij de taxi zou pakken en 570 teruglegt. [verdachte] maakte daarop een berekening en berichtte vervolgens: “ je moet 49.900 geven”. Ook deze berichten leveren dus een sterke aanwijzing op dat [medeverdachte 8] gebruiker is van het account [accountnaam 32] . Bovendien is, zoals bij de behandeling van zaaksdossier 2 en 8 nog aan de orde zal komen, van [medeverdachte 8] gebleken dat hij het geld van [verdachte] beheerde. Het verweer van de raadsvrouw dat de berichten juist een contra-indicatie hiervoor vormen, slaagt dan ook niet.

De voorgaande omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, leiden tot de conclusie dat [medeverdachte 8] ook de gebruiker is geweest van het account [accountnaam 32] .

[medeverdachte 7]

In de processen-verbaal van identificatie en de aanvullingen daarop worden aan [medeverdachte 7] de Exclu-accounts [accountnaam 33] ( [accountnaam 33] ) en [accountnaam 34] ( [accountnaam 34] ) toegeschreven. Hij heeft ter zitting tevens bekend dat hij deze accounts heeft gebruikt. Op grond daarvan kan worden bewezen dat [medeverdachte 7] de gebruiker is geweest van voornoemde Exclu-accounts. [medeverdachte 7] heeft ter zitting naar voren gebracht dat ook een ander op momenten gebruik heeft gemaakt van deze accounts. Dit doet aan de identificatie van hem als gebruiker van de accounts echter niet af.

 Algemene overwegingen.

Het bewijsminimum

Het bewijs voor de aan de verdachten tenlastegelegde feiten is in beslissende mate gebaseerd op de gegevens die zijn verkregen uit de hack van communicatiedienst Exclu. Het procesdossier bevat een door de politie gemaakte selectie van een grote hoeveelheid aan Exclu-berichten die verzonden en ontvangen zijn door de gebruikers van verschillende aan verdachten toegeschreven accounts. Volgens de verdediging van meerdere verdachten wordt de lat van het wettelijk vereiste bewijsminimum door het gebruikmaken van deze berichten niet gehaald, omdat die berichten “andere geschriften” zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid, sub 5, Sv en er om die reden geen zelfstandige betekenis of bewijswaarde aan die berichten kan toekomen. Er zijn andere bewijsmiddelen nodig om die berichten tot een wettig bewijsmiddel te maken, waarbij steeds zelfstandig en objectief steunbewijs nodig is om aan het bewijsminimum te kunnen voldoen. Volgens de verdediging ontbreken die andere bewijsmiddelen, zodat reeds om die reden de verdachten moeten worden vrijgesproken van de aan hen tenlastegelegde feiten.

De rechtbank overweegt hierover als volgt.

De in het procesdossier opgenomen Exclu-berichten zijn aan te merken als andere geschriften in de zin van artikel 344, eerste lid, sub 5, Sv. Op grond van dat wetsartikel kunnen dergelijke geschriften alleen gelden in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen. Eén (ander) bewijsmiddel kan volstaan en dat bewijsmiddel mag ook weer een ander geschrift zijn. Aan het verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen worden geen zware eisen gesteld, in die zin dat het verband door de rechter niet uitdrukkelijk hoeft te worden aangegeven. Dit betekent dat (in dit geval) een Exclu-bericht tevens steun kan vinden in een ander Exclu-bericht (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:474 en de conclusie van de AG van 7 februari 2023, ECLI:NL:PHR:2023:163).

Op grond van het procesdossier heeft de rechtbank kunnen vaststellen dat de verdachten in deze zaak en andere onbekend gebleven personen meermalen en op verschillende momenten naar elkaars Exclu-accounts berichten hebben verstuurd en ontvangen. Hierbij zijn regelmatig afbeeldingen van witte blokken, kristallen of pegels verstuurd, die de inhoud van die berichten ondersteunen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er meerdere bewijsmiddelen uit meerdere bronnen aanwezig zijn en dat daarmee aan het wettelijk vereiste bewijsminimum is voldaan. Het door de verdediging gevoerde verweer wordt dan ook verworpen.

Interpretatie van de berichten

In de verschillende zaaksdossiers is een lijst opgenomen met afkortingen/termen met een uitleg van die begrippen door het Cluster Synthetische Drugs van de Landelijke Recherche. Deze lijst is samengesteld door een materiedeskundige op het gebied van (synthetische) drugs, precursoren en NPS. De verklaringen voor deze begrippen zijn gebaseerd op meer dan één informatiebron uit onderzoeken, tap-/ovc-gesprekken, boekhoudingen en ambtshalve verkregen informatie.

De rechtbank verenigt zich met de uitleg die de politie heeft gegeven aan de termen en afkortingen die in de chatberichten worden gebruikt. De rechtbank gaat er dus van uit dat verdachten met andere Exclu-gebruikers communiceerden over onder andere cocaïne (bijvoorbeeld “blokken”, “C” “Ecu” “Colo”), metamfetamine (“Ice”), MDMA (“M”), contant geld (“pap”) en duizendtallen (“k”). Deze uitleg is ook in lijn met hetgeen de rechtbank ambtshalve bekend is uit andere Opiumwetzaken en past bij de communicatie door middel van versleutelde berichten, de samenhang tussen de chatberichten, de bedekte termen die onderling niet tot misverstanden leiden en de afbeeldingen die bij sommige chatberichten zijn gevoegd.

Kortom; naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier geen aanwijzingen dat de chatberichten op een andere wijze uitgelegd zouden moeten worden dan door de politie is gedaan. Bij gebrek aan een aannemelijke alternatieve uitleg door verdachten, ziet de rechtbank geen reden om een andere betekenis toe te kennen aan de chatberichten. Daarmee verwerpt de rechtbank het verweer van de verdediging dat bepaalde berichten anders uitgelegd kunnen worden; deze andere uitleg vindt geen steun in het dossier en wordt ook niet nader onderbouwd door bijvoorbeeld een alternatieve uitleg door verdachte(n).

Het feit dat geen van de stoffen waarover in de chatberichten wordt gesproken in beslag is genomen en getest is, staat naar het oordeel van de rechtbank evenmin aan een bewezenverklaring in de weg. Op basis van de in de chatberichten gebruikte termen, de afgeschermde werkwijze (met versleutelde berichten, verborgen identiteiten door het gebruik van chatID’s) en de hoogte van de met de middelen gemoeide geldbedragen is het naar het oordeel van de rechtbank evident dat de berichten daadwerkelijk over de hiervoor genoemde verboden middelen gingen.

Strafbare voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen

De rechtbank stelt tot slot voorop dat de voorbereiding en/of bevordering van een misdrijf als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet (kort gezegd: drugshandel), in artikel 10a, eerste lid van die wet als zelfstandig delict strafbaar is gesteld om in een vroeg stadium van de organisatie van de (internationale) handel in drugs in te kunnen grijpen. Dit betekent dat reeds strafbaar is het uiting geven aan de intentie om verdovende middelen te verkopen, afleveren, verstrekken etc. door het plegen van daarop gerichte voorbereidings- of bevorderingshandelingen.

 Zaaksdossier 1

De verdenking

In dit zaaksdossier zijn de onderzoeksbevindingen neergelegd die hebben geleid tot de verdenking dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 7] in de periode van 3 oktober 2022 t/m 12 december 2022 in Nederland en/of België en/of Ecuador (al dan niet met een ander) zich schuldig hebben gemaakt aan de invoer van 2.000 stuks/kilogram cocaïne (feit 1 primair) dan wel in de periode van 3 oktober 2022 t/m 17 december 2022 in Nederland en/of België en/of Ecuador zich (al dan niet met een ander) schuldig hebben gemaakt aan voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen gericht op de handel in cocaïne (feit 1 subsidiair). Daarnaast worden zij ervan verdacht dat zij in de periode van 19 december 2022 t/m 28 december 2022 in Nederland en/of België en/of Ecuador (al dan niet met een ander) zich schuldig hebben gemaakt aan voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen gericht op de handel in cocaïne (feit 2).

Het standpunt van de verdediging

Door de raadslieden is ten aanzien van feit 1 primair bepleit dat de verdachten van dat feit moeten worden vrijgesproken. Zij hebben daartoe aangevoerd dat van een voltooide invoer van de tenlastegelegde partij cocaïne geen sprake is geweest, omdat deze partij nooit de haven van Antwerpen heeft bereikt. Voor zover de rechtbank dit wel bewezen acht, dan geldt dat niet bewezen kan worden dat de verdachten een bijdrage van voldoende gewicht hebben geleverd aan die invoer, zodat zij niet als medepleger kunnen worden aangemerkt. De verdediging van [medeverdachte 6] heeft in zijn zaak verder betoogd dat sprake is geweest van een vrijwillige terugtred door verdachte. Tot slot hebben de raadslieden aangevoerd dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachten zich enkel strekte tot de invoer van de door de verdachten bestelde aantallen (met een maximum van 71 stuks/kilogram) en niet tot het tenlastegelegde aantal van 2.000 stuks/kilogram cocaïne.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair hebben de raadslieden uiteenlopende verweren gevoerd, met de conclusie dat de verdachten ook van dit feit (partieel) moeten worden vrijgesproken. De verdediging van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] heeft aangevoerd dat de concrete handelingen van de verdachten niet als voorbereidingshandelingen kunnen worden aangemerkt. De verdediging van [medeverdachte 6] heeft aangevoerd dat door verdachte niets is betaald en hij zich heeft teruggetrokken. De verdediging van [medeverdachte 1] heeft aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte de “chef” is waarover in de berichten is gesproken, zodat niet bewezen kan worden dat verdachte voorbereidingshandelingen heeft verricht. Verder heeft de verdediging van [medeverdachte 1] , voor zover de rechtbank wel aannemelijk acht dat met “chef” [medeverdachte 1] wordt bedoeld, alsook [medeverdachte 3] betoogd dat het opzet van de verdachten gericht was op het bezit/voorhanden krijgen van de cocaïne, hetgeen niet valt onder het bereik van artikel 10a van de Opiumwet. De verdediging van [verdachte] heeft aangevoerd dat diens betrokkenheid slechts strekte tot 71 stuks cocaïne die hij mocht verdelen.

De raadslieden hebben ten aanzien van feit 2 soortgelijke verweren gevoerd als ten aanzien van feit 1 primair/subsidiair.

Het oordeel van de rechtbank

 feit 1 “nieuw verhaal”

primair: voltooide invoer

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 7] zich schuldig hebben gemaakt aan de invoer van cocaïne zodat zij daarvan zullen worden vrijgesproken. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] zich bezig hield met de handel in cocaïne. Via een contactpersoon kreeg hij het aanbod om mee te doen met een partij van 2.000 kilogram cocaïne (verpakt per blok van één kilogram) die vanuit Ecuador naar Antwerpen verscheept zou worden. [verdachte] heeft daarop meerdere mensen (waarover later meer) benaderd met de vraag om mee te doen met dit, door hem genoemde, “nieuwe verhaal” en daarvoor geld in te leggen. Ook heeft hij van hen bestellingen aangenomen en het geld daarvoor geïnd. [verdachte] heeft daarna zijn klanten op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen van het transport, zoals het moment van vertrek van het schip met de lading cocaïne vanuit Ecuador (in de nacht van 12 op 13 november 2022), het moment van aankomst daarvan in de haven van Antwerpen (op 12 december 2022) alsook het moment van het lossen van de container met daarin de lading cocaïne (in de periode tussen 13 en 16 december 2022). Op 17 december 2022 heeft [verdachte] zijn klanten en andere belanghebbenden geïnformeerd dat de lading cocaïne was onderschept door de douane in de haven van Antwerpen. Hij heeft hen (onder meer) verteld dat hij de hele nacht was opgebleven om alles te volgen, dat “parkiet” alles doorstuurde, zodat hij op de hoogte was en dat hij alles live had gezien, zoals het open maken van de bak (container), foto’s, zegels en de dozen waar het in zat. Hij vertelde hen verder dat alles goed was, dat de job was gelukt, dat een switch was gedaan door een EU-container voor de originele container te zetten, dat de chauffeur de container om 05.00 uur kon ophalen, maar dat deze om 04.09 uur op “rood” was gezet, dat hij ook een foto had van hoe laat die container op “rood” was gezet, dat “blauw” (politie) op de kaai was gekomen en dat het toen zeker was gepakt, omdat het er gelijk lag als ze de deur zouden openen.

Het voorgaande levert zo op het eerste gezicht een sterke aanwijzing op dat een lading cocaïne uit Ecuador daadwerkelijk de haven van Antwerpen heeft bereikt (en op 17 december 2022 onderschept is), waarmee sprake is geweest van een voltooide invoer . Daartegenover staat echter het volgende.

Het openbaar ministerie heeft op 2 mei 2023 een Europees onderzoeksbevel verzonden aan de Belgische autoriteiten. Daarin is verzocht het volledige dossier te verstrekken met betrekking tot de inbeslagname van een partij cocaïne die aangetroffen is in een container in de haven van Antwerpen op 17 december 2022. De Belgische autoriteiten hebben aan dit verzoek gehoor gegeven en stukken verstrekt. Die zijn in het onderhavige procesdossier opgenomen samen met een samenvattend proces-verbaal van bevindingen van de Nederlandse politie. De rechtbank leidt uit die stukken af dat op 17 december 2022 omstreeks 06.00 uur in de haven van Antwerpen een container met het nummer UACU5392489 onderworpen was aan een fysieke controle vanwege een risicoanalyse. Deze container was vervoerd met een schip dat vertrokken was uit de haven van Buenos Aires (Argentinië) en op 3 december 2022 aangekomen in de haven van Antwerpen. In deze container werden 600 pakken cocaïne aangetroffen met een totaalgewicht van 722,09 kilogram. Uit verder onderzoek is gebleken dat deze lading was overgeladen uit een container met het nummer SEGU9476086. Die container was weer vervoerd met een schip dat vertrokken was uit de haven van Navegantes (Brazilië) en op 16 december 2022 was aangekomen in de haven van Antwerpen. Van een andere inbeslagname van cocaïne in de haven van Antwerpen op 17 december 2022 is niet gebleken.

De Belgische onderzoeksbevindingen verschillen op essentiële punten met de berichten die [verdachte] heeft verstuurd. De Belgische douane heeft immers een lading cocaïne onderschept die was verscheept in Brazilië, terwijl het in de berichten ging om een lading cocaïne afkomstig uit Ecuador. De onderschepte lading bestond bovendien uit 600 pakken met een totaalgewicht van 722,09 kilogram, terwijl de berichten gingen over een partij van 2.000 stuks met een totaalgewicht van 2.000 kilogram. Ook het moment waarop de container uit Brazilië in Antwerpen was aangekomen (16 december 2022) verschilt met het moment waarop de container uit Ecuador volgens de berichten van [verdachte] zou zijn aangekomen, te weten 12 december 2022.

Deze essentiële verschillen vormen een aanzienlijke contra-indicatie voor de juistheid van de stelling van het openbaar ministerie dat de partij cocaïne waarover de berichten van [verdachte] gingen inderdaad in de haven van Antwerpen was aangekomen en onderschept. Van een andere partij kan geen sprake zijn, omdat de Belgische autoriteiten hebben aangegeven dat zij op 17 december 2022 geen andere partij cocaïne hebben onderschept dan de partij die zij hiervoor hebben beschreven. Het argument van het openbaar ministerie dat sprake moet zijn geweest van een truc van de transporteur is niet meer dan een aanname en wordt verder niet ondersteund door enig bewijsmiddel, zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat.

Dit maakt dat niet buiten redelijke twijfel vastgesteld kan worden dat de geschetste gang van zaken in de berichten van [verdachte] over de invoer en onderschepping van de partij cocaïne uit Ecuador ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Het procesdossier biedt onvoldoende aanknopingspunten om tot een wettig en overtuigend bewijs van een voltooide invoer te komen. Daarom worden [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 7] vrijgesproken van hetgeen aan hen onder feit 1 primair is tenlastegelegd. De overige verweren die ten aanzien van dit feit zijn aangevoerd behoeven daarmee geen nadere bespreking.

subsidiair: voorbereidingshandelingen

De rechtbank komt op grond van de in de bewijsmiddelenbijlage opgenomen redengevende feiten en omstandigheden tot een bewezenverklaring van de voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen die aan [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] onder feit 1, subsidiair, zijn tenlastegelegd. [medeverdachte 7] zal hiervan worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit feit bij hem niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank heeft aan haar oordeel het volgende ten grondslag gelegd.

[verdachte] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [verdachte] de contacten had die ervoor konden zorgen dat een lading cocaïne vanuit Ecuador naar de haven van Antwerpen vervoerd kon worden. [verdachte] heeft meerdere mensen benaderd voor zijn “nieuw verhaal”, waarop hij bestellingen aannam en het geld daarvoor inde. Zo hebben ook [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] een deal gesloten met [verdachte] . [medeverdachte 6] heeft een bestelling geplaatst voor 15 stuks, [medeverdachte 5] voor 5 stuks en [medeverdachte 3] voor 10 stuks (waarvan 5 stuks voor hem en de gebruiker van het account [accountnaam 35] en 5 stuks voor de “chef”). [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] hebben [verdachte] daarvoor betaald. [medeverdachte 5] heeft zijn chauffeur hiervoor ingeschakeld, [medeverdachte 3] heeft het geld zelf weggebracht en [medeverdachte 7] heeft dit voor [medeverdachte 6] gedaan. [verdachte] heeft met hen daarna veelvuldig contact gehad en hen bijgepraat over het moment van vertrek van het schip met de lading cocaïne uit Ecuador en de aankomst daarvan in Antwerpen, over het moment waarop de cocaïne aldaar uitgehaald zou gaan worden en over de vermeende onderschepping daarvan. Vanaf het moment van de vermeende aankomst van deze partij en de vermeende onderschepping daarvan heeft [verdachte] frequent contact gehad met [medeverdachte 4] , waarbij [verdachte] aan [medeverdachte 4] heeft gevraagd om informatie over dit transport door te geven aan onbekend gebleven personen en [medeverdachte 4] andersom informatie van deze onbekend gebleven personen heeft doorgegeven aan [verdachte] . Ook was er een ontmoeting tussen [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en twee anderen die kennelijk belang hadden bij het transport in de zaak van [medeverdachte 3] .

Daar waar de rollen van [verdachte] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] bij dit traject duidelijk naar voren komen, kan dat niet zonder meer gezegd worden over [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 7] . De rechtbank zal daarom hierna specifieker ingaan op de rollen die zij hebben gehad. Vervolgens zal de rechtbank het beroep van [medeverdachte 6] op vrijwillige terugtred behandelen.

[medeverdachte 1] Met betrekking tot de rol van [medeverdachte 1] neemt de rechtbank allereerst de volgende chatberichten in aanmerking. Op 10 november 2022 om 09.57 uur had [verdachte] contact met [medeverdachte 3] en vertelde dat deze aan zijn “maat” moest doorgeven dat ze dit weekend op het water zaten en dat er dan betaald moest worden. [medeverdachte 3] vroeg hoeveel er betaald moest worden, waarop [verdachte] zei: “10 x 5400 = 54k”. Amper één minuut na dit bericht had [medeverdachte 3] contact met [medeverdachte 1] en vroeg hem of hij even in een privéchat wilde. Daarop maakte [medeverdachte 1] een privégesprek aan. Om 10.16 uur berichtte [medeverdachte 3] aan [accountnaam 35] dat de volgende al onderweg was, dat zij er 5 samen deden en dat de “chef” er ook 5 deed.

Verder is de rechtbank gebleken dat [medeverdachte 1] vaker privéchats voerde met personen die zich bezighielden met de handel in verdovende middelen. Op 29 september 2022 had hij een privéchat met [accountnaam 36] nadat deze aan [medeverdachte 1] had bericht dat hij een paar dingen wilde uitleggen over wat hij had geregeld voor werk met [accountnaam 37] . Op 23 december 2022 had hij met [medeverdachte 3] een privéchat, nadat [verdachte] aan [medeverdachte 3] had verteld dat ze bezig waren met het zetten van die “ecu” en hem had gevraagd of hij voor “hun” bij wilde kopen, en [medeverdachte 3] daarop berichtte dat hij “die andere” daarvoor moest vragen en het vandaag wel liet weten. Vervolgens vroeg [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 1] of deze bereikbaar was. Daarop reageerde [medeverdachte 1] met: “Ja bro, ben je er. Ww (wachtwoord)” en gaf [medeverdachte 3] het cijfer 222 door. Enkele minuten daarna berichtte [medeverdachte 3] aan [verdachte] “alleen de bonchanche maat”. Uit deze gang van zaken leidt rechtbank af dat in deze privéchats zaken werden besproken die betrekking hadden op de handel in verdovende middelen.

Bovendien was [medeverdachte 1] op de zaak van [medeverdachte 3] na de vermeende onderschepping van de lading cocaïne op 17 december 2022. Op de camerabeelden is te zien dat hij om 12.41 uur naar binnen ging en om 14.22 uur de zaak weer verliet. Ook is op de beelden te zien dat [medeverdachte 3] , [verdachte] en twee onbekend gebleven mannen daar waren. De verklaring van [medeverdachte 1] op de zitting dat hij daar alleen was om koffie te drinken acht de rechtbank niet geloofwaardig. Uit de inhoud van de berichten tussen [medeverdachte 3] en [accountnaam 35] valt immers af te leiden dat de aanwezigen, waaronder dus ook [medeverdachte 1] , de onderschepping van de partij en de teruggave van de inleg hebben besproken. In een bericht van 17 december 2022, 13.15 uur (dus na de vermeende onderschepping van de lading cocaïne) gaf [medeverdachte 3] aan [accountnaam 35] door dat ze nu met vijf man bij hem op de zaak waren, dat ze hoopten dat de uithaal verantwoordelijk gehouden kon worden en dat ze voor de teruggave van de inleg zouden gaan. [accountnaam 35] reageerde hierop dat het dan wel in het nieuws zou komen en het anders weggehaald was, dat het intern eruit gehaald zou worden en dat ze dan hun werk niet goed hadden gedaan. [medeverdachte 3] zei daarop: “ja zitten we hier nu ook uit te zoeken”.

Tot slot is de verklaring van [medeverdachte 1] ter zitting dat hij nooit in de drugshandel heeft gezeten door zijn berichten met de gebruiker van het Exclu-account [accountnaam 36] op losse schroeven komen te staan. Op 4 oktober 2022 zei [accountnaam 36] hem dat “we iets rond hebben”, “ [accountnaam 38] ”, dat hij persoonlijk gezeten heeft met een man van “domie”, dat de man “het” heeft en “half betalen half achteraf”. Hij gaf verder aan dat “ [accountnaam 38] een mooi verhaal is”, dat “we het snel kunnen doen”, dat die van “ecua op 4600 dollar zit” en “helft betalen, de rest op water”. [medeverdachte 1] reageerde hierop als volgt: “ja, we gaan doen”, “wil liefst weer klein beginnen en opbouwen”, “alleen wij zelf”, “kijk of je nog kan zakken aan die prijs” en “dat tegenwoordig de afspraak is lage inkoop, lage % en hoge inkoop, hoge %”. Toen [accountnaam 36] vervolgens aangaf dat “ [accountnaam 38] ” 25% vraagt” en dat “de prijs rond de 30k zit”, zei [medeverdachte 1] : “ja daarom moeten we eigen verhaal doen” en “mensen die met ons meedoen die vragen we 5000 en 20%, dus dan zitten we ook gratis erop”. [accountnaam 36] zei hierop “we werden voor gek gehouden al die jaren”. Daarop reageerde [medeverdachte 1] met “ja broer” “daarom zijn we niet happig meer om met groepen te werken die dat soort prijzen vragen”. Van de in dit gesprek gehanteerde termen en prijzen is de rechtbank ambtshalve uit eerdere (Opiumwet)zaken bekend dat deze in directe relatie staan tot de invoer van en handel in cocaïne. Uit dit gesprek kan worden afgeleid dat [medeverdachte 1] zich wel degelijk heeft bezig gehouden met de handel in verdovende middelen. Bovendien moet dit, aangezien hij het heeft over weer klein beginnen en opbouwen, zich over een langere periode hebben uitgestrekt.

Dit alles leidt tot de slotsom dat de rechtbank van oordeel is dat [medeverdachte 1] de “maat/chef” is waarover [medeverdachte 3] met [accountnaam 35] heeft gesproken en die via [medeverdachte 3] bij [verdachte] een bestelling heeft geplaatst voor 5 stuks (kilo) cocaïne.

[medeverdachte 4]

Vanaf het moment van de vermeende aankomst van de partij cocaïne uit Ecuador in de haven van Antwerpen en de vermeende onderschepping daarvan was [medeverdachte 4] frequent in contact met [verdachte] . In de uitgewisselde berichten valt op dat [verdachte] aan [medeverdachte 4] vroeg om informatie met betrekking tot dit transport (in het bijzonder over de vermeende aankomst en onderschepping daarvan) door te geven aan onbekend gebleven personen en dat [medeverdachte 4] een reactie van deze onbekend gebleven personen doorgaf aan [verdachte] en hem soms van advies voorzag.

[medeverdachte 4] heeft hierover het volgende verklaard. Hij wist dat [verdachte] in blokken cocaïne handelde. Deze blokken kreeg [verdachte] van zijn contactpersoon (de zogenaamde ‘landdieren’). Die contactpersoon kreeg deze blokken op zijn beurt weer van zijn contactpersoon (de zogenoemde ‘vogel’). De vogel had een schuld van € 400.000,00 aan twee personen (aangeduid als ‘de waterdieren’). Het contact tussen de waterdieren en de vogel was op enig moment verbroken. Toen de waterdieren op de hoogte raakten van het feit dat [verdachte] (in)direct zaken deed met de vogel met betrekking tot de invoer van 2.000 kilogram cocaïne uit Ecuador, werd [medeverdachte 4] door hen benaderd om het contact tussen de waterdieren en de vogel te herstellen. De waterdieren handelden niet in blokken en hadden ook niets te maken met die invoer, maar hadden er wel belang bij om te weten hoe het met dit transport ging, omdat ze dan wisten dat de vogel geld had om de schuld te kunnen betalen. Als de waterdieren dat bedrag van € 400.000,00 of een deel daarvan terug zouden krijgen, dan zou [medeverdachte 4] 20% van dat bedrag krijgen. De waterdieren wilden dat [medeverdachte 4] hen van elk detail op de hoogte hield. Daarmee is [medeverdachte 4] akkoord gegaan en hij is op die manier vanaf het moment van de vermeende aankomst van de container in de haven van Antwerpen als “informatie doorgeefluik” gaan fungeren tussen [verdachte] en de waterdieren. Als [medeverdachte 4] aan [verdachte] een advies gaf, dan was dat om [verdachte] te beschermen. [medeverdachte 4] had verder geen belang en heeft niet meegedaan met dit transport en heeft ook niets besteld.

Het openbaar ministerie acht deze uitleg van [medeverdachte 4] niet geloofwaardig. Daarbij heeft zij gewezen op de inhoud van de berichten tussen [medeverdachte 4] en [verdachte] . Bovendien ziet het openbaar ministerie in de notitie “nieuw verhaal.note” een aanwijzing dat [medeverdachte 4] ook voor zichzelf een bestelling heeft gedaan. In deze notitie, waarin [verdachte] de bestelling en betalingen heeft bijgehouden van dit transport, is opgenomen dat “GB, [accountnaam 39] en [accountnaam 8] ” 15 stuks hebben besteld en daarvoor € 81.000,00 hebben betaald. Met GB wordt volgens het openbaar ministerie Grote Broer en daarmee [medeverdachte 4] bedoeld.

De rechtbank komt, anders dan het openbaar ministerie, tot het oordeel dat niet bewezen kan worden dat [medeverdachte 4] voor zichzelf een bestelling heeft gedaan bij [verdachte] . Ook als er vanuit zou worden gegaan dat met GB in voornoemde notitie Grote Broer wordt bedoeld en niet [accountnaam 40] , zoals [verdachte] heeft verklaard, blijkt uit de stukken die de verdediging van [medeverdachte 4] heeft overgelegd dat ook anderen dan [medeverdachte 4] Grote Broer worden genoemd. Daarom kan niet zonder meer geoordeeld worden dat GB in voornoemde notitie daadwerkelijk betrekking heeft op [medeverdachte 4] . Bovendien bevat het procesdossier geen verdere berichten tussen [verdachte] en [medeverdachte 4] met betrekking tot een bestelling of betaling, in tegenstelling tot de berichten tussen [verdachte] en de andere verdachten die wel een bestelling hebben gedaan. Daarom kan niet worden vastgesteld dat [medeverdachte 4] voor zichzelf een bestelling heeft gedaan.

Over de rol van [medeverdachte 4] overweegt de rechtbank het volgende. Naar eigen zeggen zou hij voor zijn rol een bedrag gelijk aan 20% van de schuld van € 400.000,00 van de vogel aan de waterdieren ontvangen. Dit komt neer op een bedrag van € 80.000,00. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat hij een dergelijk bedrag zou ontvangen als hij alleen als doorgeefluik zou hebben gefungeerd. Bovendien volgt uit de berichten dat de waterdieren op enig moment in dit traject ook zelf rechtstreeks in contact zijn getreden met de vogel. Niet valt in te zien waarom het verstrekken van informatie door [medeverdachte 4] dan nog nodig zou zijn geweest. De rechtbank hecht voorts geen geloof aan de verklaring van [medeverdachte 4] dat de waterdieren niet in cocaïne handelden en niets te maken hadden met die invoer. Zoals bij de bespreking van feit 2 (“bonne chance” traject) zal blijken heeft [verdachte] een nieuw cocaïnetransport geregeld, waarbij hij zijn afnemers in het “nieuw verhaal” traject tegemoet kwam door de helft van de door die mensen bestelde hoeveelheden cocaïne gratis voor hen in te voeren. [verdachte] heeft zijn afnemers daarbij de mogelijkheid geboden om desgewenst extra in te kopen. Op 23 december 2022 heeft [medeverdachte 4] aan [verdachte] doorgegeven dat “ [accountnaam 41] ” (een waterdier) 2,5 wilde. Daarmee is niet alleen gebleken dat de waterdieren wel degelijk in de cocaïne handel zaten, maar ook dat zij betrokkenheid hebben gehad bij de invoer van de partij cocaïne in het “nieuw verhaal” traject. Men kon immers alleen maar met het “bonne chance” traject meedoen als zij in het “nieuw verhaal” traject een bestelling hadden gedaan, omdat het “bonne chance” traject bedoeld was als compensatie voor het eerdere mislukte transport.

Dit alles leidt tot de conclusie dat de rol van [medeverdachte 4] aanzienlijker moet zijn geweest dan hij zelf heeft doen voorkomen. De rechtbank maakt uit de berichten van [medeverdachte 4] op dat hij als tussenpersoon heeft gefungeerd tussen de waterdieren en [verdachte] en namens de waterdieren bestellingen heeft gedaan bij [verdachte] .

[medeverdachte 7]

Op 12 november 2022 is [medeverdachte 7] voor het eerst in beeld gekomen als tegencontact van [verdachte] . [medeverdachte 7] is toen door [verdachte] geïnformeerd over het feit dat “die” (de rechtbank: het schip met een partij cocaïne) vannacht ging varen, dat hij het geld voor maandag 13.00 uur moest hebben en dat [accountnaam 13] ( [medeverdachte 6] ) zei dat [medeverdachte 7] de zijne “ook” zou betalen. [medeverdachte 7] antwoordde hierop dat hij ervoor zou zorgen dat het (geld) bij hem was. Op 14 november 2022 berichtte [medeverdachte 7] aan [verdachte] dat hij het morgen zelf kwam brengen en op 15 november 2022 vroeg [medeverdachte 7] op welk adres hij moest zijn. Later op die dag stuurde [verdachte] aan [medeverdachte 7] de volgende berekening: “15 x 5400 = 81.000. Gegeven 76.550. Te kort is 4450 totaal” en vroeg op 16 november 2022 wanneer [medeverdachte 7] die 4450 zou brengen. Op 27 november 2022 lijkt [medeverdachte 7] het openstaand geldbedrag te hebben betaald.

Het openbaar ministerie heeft uit het bericht van 12 november 2022 afgeleid dat [medeverdachte 7] naast een bestelling voor [medeverdachte 6] tevens een eigen bestelling heeft gedaan. Hoewel het bericht daar op zichzelf beschouwd wel enige aanknopingspunten voor biedt, vindt dit geen verdere ondersteuning in het dossier. De betaling die [medeverdachte 7] volgens de berekening van [verdachte] moest doen, bedroeg € 81.000,00. Gelet op de stuksprijs van € 5.400,00 ziet deze betaling dus op 15 stuks, hetgeen gelijk is aan de bestelling die [medeverdachte 6] gedaan heeft. Bovendien is [medeverdachte 7] ook niet voor het “bonne chance” (compensatie) traject benaderd, hetgeen wel voor de hand zou hebben gelegen als hij een bestelling zou hebben gedaan voor het eerste transport. Daarom kan niet worden vastgesteld dat [medeverdachte 7] cocaïne heeft besteld bij [verdachte] . Op grond van het dossier kan wel worden vastgesteld dat [medeverdachte 7] op twee verschillende momenten een geldbedrag heeft weggebracht. Dit is echter onvoldoende om van het medeplegen van voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen te kunnen spreken. De rechtbank zal daarop hieronder nog nader ingaan. De conclusie is dat [medeverdachte 7] moet worden vrijgesproken van dit feit.

[medeverdachte 6]

heeft betwist dat hij een bestelling heeft gedaan. Hij voert daartoe aan dat hij weliswaar in eerste instantie heeft aangegeven mee te willen doen met 15 stuks (waarvan 10 voor een ander bestemd waren en 5 voor hem zelf), maar dat hij daarna daarvan heeft afgezien, omdat hij geen geld had. Een ander zou de betaling voor die bestelling hebben gedaan en die bestelling van hem hebben overgenomen. [medeverdachte 6] heeft dit verweer verder niet onderbouwd en het vindt ook geen steun in het procesdossier. Integendeel, uit de omstandigheid dat [medeverdachte 6] door [verdachte] na het mislukte “nieuw verhaal” is benaderd om mee te doen met het “bonne chance” traject, waarbij [verdachte] hem aanbood om als compensatie voor het mislukte transport de helft van de door hem bestelde cocaïne gratis voor hem in te voeren, maakt de rechtbank op dat [medeverdachte 6] zijn eerdere bestelling gestand heeft gehouden en daarvan dus niet heeft afgezien. De rechtbank concludeert daarom dat bewezen is dat [medeverdachte 6] bij [verdachte] een bestelling heeft gedaan van 15 stuks (kilo) cocaïne.

Opzet van de verdachten

Uit de berichten valt op te maken dat [verdachte] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 3] op de hoogte waren van de omvang van de in te voeren cocaïne. [verdachte] heeft met [medeverdachte 6] immers gesproken over 2.000 “zwanger” maken en [medeverdachte 3] heeft tegen [accountnaam 35] (na de vermeende onderschepping van deze partij) gezegd dat er 2T (2.000) op zat. Uit de eigen verklaring van [medeverdachte 4] kan worden afgeleid dat ook hij wetenschap had van deze omvang. Bovendien levert het gesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 4] op 23 december 2022 een extra aanwijzing hiervoor op. In dat gesprek, dat onder meer gaat over het “bonne chance” traject, heeft [verdachte] naar de eerdere lading (“hij heb nu weer meer geladen als laatst (…) 2.364 stuks”) verwezen. Met hun investeringen, en in het geval van [medeverdachte 4] , in zijn rol als tussenpersoon, hebben verdachten de totale vracht van 2.000 kilogram mede mogelijk willen maken. Dit leidt tot de conclusie dat het (volle) opzet van de hiervoor genoemde verdachten gericht is geweest op de invoer van de gehele partij van 2.000 kilogram. De verweren die in dit verband gevoerd zijn, stuiten hierop af.

Van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] is niet gebleken dat zij op de hoogte waren van de omvang van de lading cocaïne die ingevoerd zou worden. De rechtbank overweegt dat het algemeen bekend is, zeker bij verdachten als deze die zich langer in de drugswereld begeven, zoals ten aanzien van [medeverdachte 1] hiervoor al is gebleken en ten aanzien van [medeverdachte 5] nog uit andere zaaksdossiers zal volgen, dat een in te voeren partij cocaïne een grotere omvang zal hebben dan de luttele aantallen die door de verdachten zijn besteld. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] op zijn minst voorwaardelijk opzet hebben gehad op de invoer van de gehele partij van 2.000 kilogram.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het verweer dat het opzet van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] gericht was op het bezit/voorhanden krijgen van de verdovende middelen, hetgeen niet strafbaar is gesteld in artikel 10a van de Opiumwet als volgt. Dat het opzet van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] slechts zou zien op het aanwezig hebben van cocaïne, acht de rechtbank niet aannemelijk. Beiden hebben desgevraagd niets daarover willen verklaren. Daarmee hebben de raadslieden een eigen invulling gegeven aan hun intenties. Dat kan echter geen enkel gewicht in de schaal leggen. Met de aankoop van de door hen bestelde hoeveelheden cocaïne is veel geld gemoeid en aan het verkrijgen van zulke hoeveelheden cocaïne kleven ook veel risico’s. Dat verhoudt zich niet met het enkel in bezit willen krijgen daarvan.

De kwalificatie van de handelingen

Naar het oordeel van de rechtbank hebben [verdachte] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] met alle handelingen die hiervoor zijn benoemd een concrete en feitelijke betrokkenheid gehad bij de voorbereidingshandelingen van de invoer van een partij cocaïne. Voor [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] geldt in het bijzonder dat zij door een bestelling te plaatsen ermee hebben ingestemd dat deze op transport werd gezet en daarmee ingevoerd zou gaan worden. Dat is een handeling van voldoende gewicht om (in combinatie met de gesprekken die zij daarover hebben gevoerd) te spreken van voorbereidingshandelingen.

De rechtbank overweegt ten aanzien van [medeverdachte 7] dat hij op twee verschillende momenten een geldbedrag heeft weggebracht als betaling voor de door [medeverdachte 6] bestelde cocaïne. Van andere verderstrekkende handelingen is niet gebleken. Het enkele feit dat [medeverdachte 7] een som geld van een ander heeft weggebracht, acht de rechtbank van onvoldoende gewicht voor een bewezenverklaring van het tenlastegelegde. Van strafbare voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen voor het (mede)plegen van de invoer van cocaïne is aldus onvoldoende bewijs voorhanden, nog daargelaten dat dit feit (slechts) in de vorm van medeplegen (en dus niet medeplichtigheid) is ten laste gelegd. Om die reden zal [medeverdachte 7] worden vrijgesproken.

Slotconclusie

De rechtbank acht de aan [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] tenlastegelegde voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen onder feit 1, subsidiair, wettig en overtuigend bewezen als na te melden. Niet is wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 7] zich hieraan schuldig heeft gemaakt, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

 feit 2 ‘bonne chance”

Uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] op 19 december 2022 (twee dagen na de vermeende onderschepping van de lading cocaïne van het hiervoor beschreven “nieuw verhaal” traject) [medeverdachte 4] heeft bericht dat er een nieuwe cocaïne transport met 2.364 stuks aan zou komen vanuit “ecu” en dat de helft van de eerdere bestellingen (die vermeend in beslag zijn genomen) voor die mensen als “bonne chance” (gratis en als tegemoetkoming) op dat transport gezet zou worden. [verdachte] voorzag [medeverdachte 4] de dagen daarna van informatie die [medeverdachte 4] door moest geven aan andere onbekend gebleven personen (o.a. de waterdieren). Andersom gaf [medeverdachte 4] weer informatie van die onbekend gebleven personen door aan [verdachte] . [verdachte] benaderde daarna [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] en vertelde hen over dit “bonne chance” traject en dat de helft van wat zij eerder hadden besteld als tegemoetkoming en gratis op transport zou worden gezet. [verdachte] bood hen ook de mogelijkheid aan om eventueel bij te kopen. [medeverdachte 5] gaf vervolgens aan bij te willen kopen en dat hij later zou betalen. [medeverdachte 3] moest dat aan “die andere” vragen, waarna hij in contact trad met [medeverdachte 1] en beiden in een privéchat gingen (de privéchat van 23 december 2022). Hierna berichtte [medeverdachte 3] aan [verdachte] dat de “bonne chance” werd afgewacht. [medeverdachte 6] wilde dit ook afwachten en kocht niets bij. Op 23 december 2022 hadden [verdachte] en [medeverdachte 4] een gesprek, waarin gesproken werd over dit “bonne chance” traject en dat slechts één persoon 2,5 bij wilde kopen en dat de rest alleen de “bonne chance” wilde afwachten, waarop [medeverdachte 4] aangaf dat “ [accountnaam 41] ” er 2,5 wilde. Op 26 december 2022 berichtte [verdachte] aan [medeverdachte 4] dat die “bonne chance” gisteren voor vertrek in de haven was gepakt door een speciaal team met honden, dat hij daar foto’s en filmpjes van had en dat ze over twee weken een nieuw transport zouden zetten, maar dan via een andere haven met minder controle en dat de “bonne chance” stukken daarop bleven staan. De dagen erna berichtte [verdachte] aan [medeverdachte 6] en [medeverdachte 3] dat het transport een vertraging had opgelopen.

De rollen van de verdachten

De rechtbank overweegt, zoals hiervoor al gedaan, dat [verdachte] kennelijk contacten had die er voor konden zorgen dat een lading cocaïne uit het buitenland vervoerd en elders ingevoerd kon worden. [verdachte] benaderde verschillende mensen, die ook betrokken waren bij het “nieuw verhaal” traject, over het “bonne chance” traject en bood hen aan om eventueel nog extra cocaïne bij te kopen. Verder hield hij hen op de hoogte van de status van deze levering. [medeverdachte 6] en [medeverdachte 3] deden mee met het “bonne chance” traject, maar deden geen nieuwe bestellingen, waarbij [medeverdachte 3] eerst nog in contact trad met [medeverdachte 1] . [medeverdachte 5] deed ook mee met het “bonne chance” traject en wilde nog extra bijkopen, maar van een feitelijke nieuwe bestelling is het niet gekomen. [medeverdachte 4] gaf in dit traject tevens informatie die hij van [verdachte] had gekregen door aan onbekend gebleven personen en andersom voorzag hij [verdachte] van informatie die hij van de onbekend gebleven personen had gekregen. Eenmaal gaf [medeverdachte 4] een bestelling van “ [accountnaam 41] ” door. [medeverdachte 7] komt in het “bonne chance” traject niet in beeld.

Opzet van de verdachten

[verdachte] en [medeverdachte 4] waren op de hoogte van de omvang van de in te voeren cocaïne, aangezien [verdachte] aan [medeverdachte 4] heeft doorgegeven dat er een nieuwe cocaïne transport met 2.364 stuks aan zou komen vanuit “ecu” (rechtbank: Ecuador).

Voor [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] geldt dat zij niet op de hoogte waren van de omvang van de lading cocaïne die ingevoerd zou worden, maar dat zij op zijn minst voorwaardelijk opzet op de invoer van die gehele partij hebben gehad. De rechtbank verwijst daartoe naar hetgeen zij bij feit 1 al over het opzet heeft overwogen.

De rechtbank verwijst met betrekking tot het verweer dat het opzet van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] uitsluitend gericht was op het bezit/voorhanden krijgen van de verdovende middelen en er daarom geen sprake is geweest van strafbare voorbereidingshandelingen eveneens naar hetgeen hierover onder feit 1 is overwogen.

De kwalificatie van de handelingen

Ook ten aanzien van feit 2 merkt de rechtbank de handelingen van verdachten aan als voorbereidingshandelingen, op dezelfde gronden als overwogen bij feit 1. De rechtbank overweegt ten aanzien van [medeverdachte 7] dat hij in dit traject niet in beeld is gekomen en dus geen handelingen heeft verricht, zodat hij zal worden vrijgesproken van dit feit.

 Zaaksdossier 2

De verdenking Dit zaaksdossier is grotendeels gebaseerd op chatberichten die zijn verstuurd en ontvangen via Exclu. Al deze chatberichten hebben geleid tot de verdenking dat [verdachte] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] zich in de periode van 8 september 2022 tot en met 3 maart 2023 hebben beziggehouden met de handel in (blokken) cocaïne (Messi en Bentley) c.q. (blokken) cocaïne voorhanden hebben gehad. [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] worden er eveneens van verdacht dat zij in die periode voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen hebben getroffen ten behoeve van de handel in (blokken) cocaïne. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] worden uitsluitend voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen ten behoeve van de handel in (blokken) cocaïne verweten.

In dit zaaksdossier hebben de raadslieden van de verdachten verschillende standpunten ingenomen. Omdat de standpunten van de raadslieden uiteenlopen, zal de rechtbank hierna enkel het standpunt van de verdediging van [verdachte] vermelden en daarna toelichten waarom de rechtbank tot haar oordeel gekomen is.

Het standpunt van de verdediging. De raadsman van [verdachte] heeft zich in dit zaaksdossier (grotendeels) gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Hij heeft erop gewezen dat [verdachte] (in zijn schriftelijke verklaring die voorafgaand aan de inhoudelijk behandeling is overgelegd) heeft bekend actief te zijn geweest in de handel in cocaïne. De raadsman heeft tevens naar voren gebracht dat het onder meer om blokken Messi en Bentley ging. De raadsman heeft ter nuancering van de omvang van de verdenking erop gewezen dat de enkele grote aantallen die waren vermeld op diverse notities die [verdachte] via Exclu heeft ontvangen betrekking hadden op grammen cocaïne en niet blokken/kilo’s, zoals 820 Messi of 450 Cartier.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt op grond van de in de bewijsmiddelenbijlage opgenomen redengevende feiten en omstandigheden tot een bewezenverklaring van de voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen die aan [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] zijn tenlastegelegd. [medeverdachte 1] zal hiervan worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit feit bij hem niet wettig en overtuigend bewezen acht. Ook kan de handel in cocaïne door [verdachte] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] worden bewezen verklaard.

De rechtbank overweegt met betrekking tot [verdachte] als volgt.

Zaaksdossier 2 bevat zeer veel chatberichten waarin [verdachte] met verschillende medeverdachten en andere onbekend gebleven personen chatte over de handel in (blokken) cocaïne. Uit diverse (in de bewijsmiddelenbijlage opgenomen) chatberichten volgt dat hij beschikte over een zeer grote handelsvoorraad cocaïne en dat hij aan meerdere mensen blokken cocaïne te koop aanbood en daadwerkelijk heeft verkocht. Verdachte heeft ook bekend actief te zijn geweest in de handel in cocaïne. Gelet op het standpunt van de verdediging zal de rechtbank de berichten waar zij haar oordeel op baseert hier niet opnemen.

Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat, hoewel in de tenlastelegging geen concreet aantal blokken is genoemd, uit de chatberichten wel blijkt dat [verdachte] in de periode van 8 september 2022 tot en met 3 februari 2023 zeer veel blokken cocaïne in zijn bezit heeft gehad ten behoeve van de verkoop ervan. Zo liet hij op 19 september 2022 aan [medeverdachte 3] weten dat “hij er nog 92 heeft”, waarbij het blijkens de context van dat gesprek gaat over 92 blokken cocaïne met de opdruk Messi. Op 24 september 2022 had [verdachte] contact met [accountnaam 42] (Exclu-account [accountnaam 55] ) en werd er gesproken over de voorraad. [accountnaam 42] meldde (onder andere) dat er 8 Messi waren en 15 nieuwe, kennelijk met de opdrukken ROLEX en UFC. Daarnaast zijn in de chatberichten zeer grote bedragen genoemd. Zo stuurde [verdachte] op 9 oktober 2022 de volgende tekst naar het Exclu-account [accountnaam 56] : “Totaal geld gegeven nu messi en pool € 1.073.750”. Uit dit alles volgt dat sprake is geweest van grootschalige handel in cocaïne door [verdachte] . Hoewel de rechtbank met de raadsman ervan uitgaat dat in sommige notities gesproken wordt over grammen drugs en niet over stuks/kilo’s, bijvoorbeeld 820 Messi en 450 Cartier in de notitie die [verdachte] op 3 oktober 2022 van [medeverdachte 8] ontving, doet dit niet af aan de grootschaligheid van de drugshandel door [verdachte] in de tenlastegelegde periode, zoals die volgt uit alle door hem verstuurde en ontvangen chatberichten. Dit zal worden meegenomen bij het bepalen van de strafmaat.

 Zaaksdossier 8

De verdenking

In dit zaaksdossier zijn de onderzoeksbevindingen neergelegd die hebben geleid tot de verdenking dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [verdachte] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 7] in de periode van 8 september 2022 t/m 14 januari 2023 in Nederland en/of België zich schuldig hebben gemaakt aan – kort gezegd – het deelnemen aan een criminele drugsorganisatie.

Het standpunt van de verdediging

Door meerdere raadslieden is bepleit dat het bewijs van een samenwerkingsverband tussen de verdachten met een zekere duurzaamheid en structuur tekortschiet. Mocht de rechtbank oordelen dat de verdachten zich hebben ingelaten in de drugshandel, dan wijst het bewijs erop dat bij het plegen van die feiten telkens min of meer ad hoc door één of meer personen werd samengewerkt dan dat het ging om een duurzame en gestructureerde samenwerking met als gemeenschappelijke doelstelling het plegen van Opiumwetdelicten.

Het oordeel van de rechtbank

Van een organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en artikel 11b van de Opiumwet is sprake als het gaat om een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen ten minste twee personen. Van deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr en 11b van de Opiumwet kan slechts sprake zijn als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in artikel 11b van de Opiumwet bedoelde oogmerk. Daarbij geldt dat de verdachte in zijn algemeenheid moet weten (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van (Opiumwet)misdrijven. De verdachte hoeft geen wetenschap te hebben van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd. Om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt is niet vereist dat daarbij komt vast te staan dat de verdachte moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling binnen het samenwerkingsverband steeds dezelfde is geweest.

De rechtbank is allereerst van oordeel dat op grond van de geselecteerde bewijsmiddelen sprake is geweest van een duurzaam samenwerkingsverband tussen [verdachte] en [medeverdachte 8] . Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

Uit meerdere chatberichten in het procesdossier kan worden afgeleid dat [verdachte] diverse bestellingen van cocaïne opnam, het geld daarvoor inde, en samen met [medeverdachte 8] de boekhouding daarvan bijhield. Verder werd in de woning van de ouders van [verdachte] een verborgen stashlocatie met een contant geldbedrag van € 31.500,00 aangetroffen, en bij die woning een auto met een professioneel ingebouwde verborgen stashruimte. Uit de chatberichten blijkt verder dat [medeverdachte 8] zowel de voorraad cocaïne als het ontvangen geld beheerde, de voorraadlijsten en boekhouding bijhield en [verdachte] daarvan steeds op de hoogte hield.

Op grond van de onderschepte chatberichten die [verdachte] en [medeverdachte 8] hebben verstuurd via Exclu stelt de rechtbank vast dat zij gedurende een langere periode op deze wijze hebben samengewerkt. De berichten dateren van de periode van 8 september 2022 tot en met 5 februari 2023. Dat is de periode tot wanneer het voor het opsporingsteam mogelijk was de chatberichten terug te lezen tot de datum van de zogeheten klapdag.

Uit de bewijsmiddelen blijkt tot slot dat deze organisatie zich bezighield met criminele activiteiten met betrekking tot verdovende middelen, waaronder de handel in cocaïne. Het oogmerk van dit samenwerkingsverband was dus gericht op het plegen van dit soort misdrijven.

Op grond van het bovenstaande is bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte 8] hebben deelgenomen aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr en artikel 11b van de Opiumwet.

Datzelfde geldt echter niet voor de overige verdachten. Het strafdossier bevat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om daarop de conclusie te baseren dat daadwerkelijk sprake is geweest van een samenwerkingsverband tussen de overige verdachten met een zekere duurzaamheid en structuur. Veel meer wijzen de bewijsmiddelen erop dat bij het plegen van de aan hen tenlastegelegde drugsdelicten telkens min of meer ad hoc door één of meer personen werd samengewerkt dan dat het ging om een duurzame en gestructureerde samenwerking met als gemeenschappelijke doelstelling het plegen van Opiumwetdelicten.

Zo heeft [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 3] een klein brokje als voorbeeld voor een klant gevraagd met het oog op een langdurige samenwerking met die klant, die overigens niet van de grond is gekomen. Dit zegt nog niet dat dit in het kader van een criminele samenwerking met de in de tenlastelegging genoemde personen is gedaan.

Uit de berichten van [medeverdachte 3] valt verder weliswaar af te leiden dat hij enkele bestellingen voor cocaïne bij [verdachte] heeft gedaan, maar niet dat zijn rol daarin verder is gegaan dan die van medepleger (in zaaksdossier 1 en 2) door cocaïne af te (willen) nemen. Nergens blijkt dat hij de afgenomen cocaïne verder heeft bewerkt en/of heeft doorverkocht voor of in samenwerking met [verdachte] en [medeverdachte 8] of de overige in de tenlastelegging genoemde personen. Uit het dossier blijkt dus niet dat hij binnen dat samenwerkingsverband heeft gehandeld of op andere wijze daarvan deel heeft uitgemaakt.

Datzelfde geldt voor [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] . Uit de berichten valt op te maken dat zij (in zaaksdossier 1 en 2) cocaïne hebben besteld bij en afgenomen van [verdachte] , maar niet dat zij dat in het kader van het criminele samenwerkingsverband hebben gedaan.

De enkele omstandigheid dat [medeverdachte 7] ten behoeve van [medeverdachte 6] geldbedragen heeft vervoerd naar [verdachte] is eveneens onvoldoende om daarop de conclusie te baseren dat hij deel heeft uitgemaakt van een crimineel samenwerkingsverband.

Uit de berichten die [medeverdachte 1] heeft gewisseld met [persoon 11] en [accountnaam 36] valt niet op te maken dat die zien op samenwerking binnen het tenlastegelegde samenwerkingsverband. Deze personen worden niet in de tenlastelegging genoemd. Bovendien geeft [medeverdachte 1] aan [persoon 11] aan dat hij weer klein wil beginnen en opbouwen, alleen henzelf, hetgeen juist een contra-indicatie oplevert voor deelname aan het tenlastegelegde criminele samenwerkingsverband. Wat betreft de bestellingen die [medeverdachte 3] voor hem gedaan heeft in zaaksdossier 1 is niet is gebleken dat die zijn gedaan binnen de tenlastegelegde criminele organisatie.

Ten aanzien van [medeverdachte 4] geldt dat hij weliswaar een langere periode heeft gefungeerd als tussenpersoon tussen [verdachte] en anderen, maar die anderen maken geen deel uitvan het hier tenlastegelegde criminele samenwerkingverband.

Tot slot overweegt de rechtbank dat van de ontmoetingen die verschillende verdachten in diverse restaurants met elkaar hebben gehad niet gebleken is dat die een crimineel karakter hebben gehad of dat die hebben plaatsgevonden in het kader van de criminele organisatie. Alleen van de samenkomst van [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [verdachte] in de zaak van [medeverdachte 3] op 17 december 2022 is dat anders geweest, maar niet kan worden vastgesteld dat die ontmoeting heeft plaatsgevonden in verband met de tenlastegelegde criminele organisatie.

De omstandigheid dat een aantal verdachten in een eerdere zaak zijn veroordeeld voor overtreding van artikel 140 Sr acht de rechtbank evenmin redengevend voor het bewijs in deze zaak. Bovendien zijn die veroordelingen niet onherroepelijk. Het gebruik van cryptocommunicatie door verdachten draagt ook niet bij tot bewijs van deelname aan de tenlastegelegde criminele organisatie, omdat dit gebruik net zo goed buiten dit samenwerkingsverband heeft kunnen plaatsvinden.

Het voorgaande betekent dat niet is bewezen dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] hebben deelgenomen aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr en artikel 11b van de Opiumwet en dat deze verdachten van het ten laste gelegde zullen worden vrijgesproken.

 Zaaksdossier 9

De verdenking

Aan alle verdachten is samengevat tenlastegelegd dat zij in de periode van 8 september 2022 tot en met 3 februari 2023 in Nederland en/of in België zich schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van de voorzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing van 13 november 2020 verboden is verklaard, te weten [motorclub 1] (Motorcycleclub).

Het standpunt van de verdediging

Het standpunt van de verdediging komt er samengevat op neer dat verdachten moeten worden vrijgesproken, omdat zij geen voortzettingshandelingen hebben verricht. Subsidiair beroepen zij zich op afwezigheid van alle schuld. Op deze verweren zal de rechtbank hieronder nader ingaan.

Het oordeel van de rechtbank

Wettelijk kader en jurisprudentie

Het openbaar ministerie kan op grond van artikel 2:20 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) de rechter verzoeken een rechtspersoon, zoals een (informele) vereniging of stichting, te verbieden en te ontbinden, als de werkzaamheid daarvan in strijd is met de openbare orde. Na een dergelijk verbod is de voortzetting van de werkzaamheid van zo’n rechtspersoon (organisatie) strafbaar (artikel 140, tweede lid, Sr).

In het licht van de wetsgeschiedenis van het sinds 1 januari 2022 geldende artikel 140, tweede lid, Sr - waarmee de wetgever een verduidelijking heeft willen geven van wat onder het delictsbestanddeel “voortzetting van de werkzaamheid” in de zin van artikel 140, tweede lid, (oud) Sr moet worden verstaan - komt aan dat bestanddeel een ruime uitleg toe, waarbij het gaat om “iedere gedraging die ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie” (vgl. HR 5 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1612). Het staat ook andere rechtspersonen op grond van artikel 140, tweede lid, Sr niet vrij om de werkzaamheid van een verboden rechtspersoon voort te zetten (vgl. HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797). Nagegaan moet worden of de gedraging of gedragingen van de verdachte ten dienste staat/staan aan het voortbestaan van de verboden organisatie (vgl. HR 14 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:28).

Deze zaak

Bij de beoordeling van deze zaak gaat de rechtbank uit van de navolgende feiten.

 Organisatiestructuur van [motorclub 1]

De structuur van [motorclub 1] is als volgt. [motorclub 1] heeft een eigen, landelijke leidinggevende/adviserende groep genaamd de " [groepsnaam 1] ". Hierin zitten de functies "Malessy, Kapikane en Nomad". De [groepsnaam 1] adviseren en sturen de chapters in Nederland aan. De Malessy zijn de oorspronkelijke oprichters van [motorclub 1] . De Kapikanes zijn "eerste strijder/vooraanstaand lid” en de Nomads zijn de leden die tussen de [groepsnaam 1] en de clubs inzitten, opdrachten uitvoeren en verantwoordelijk kunnen zijn voor bepaalde zaken en chapters.

De verdachten in deze zaak hebben de navolgende rangen binnen [motorclub 1] . [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] zijn Malessy, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zijn Kapikanes, [verdachte] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] zijn Nomads en [medeverdachte 8] en [medeverdachte 7] hebben de rang “full members”.

Naast de rangen zijn er verschillende "taken" binnen [motorclub 1] , onder andere:

Sergeant-at-Arms, Road-Captain en Secretary. De Sergeant-at-Arms zorgt ervoor dat de regels, die bepaald zijn door het kader, op een vlotte manier gekend zijn en worden nageleefd. De Road-Captain is verantwoordelijk voor het plannen en organiseren van de motortochten en de Secretary is verantwoordelijk voor de administratie van de club.

Het kader, de hoogste instantie binnen [motorclub 1] , zoals hierboven voornoemd, bestaat uit de

President, Vice President, Sergeant-at-Arms, Secretary, Treasurer en Road-Captain.

 Uiterlijke kenmerken

Binnen [motorclub 1] gelden er diverse geschreven en ongeschreven regels, zoals het gebruik van de clubkleuren, de zogenoemde colors. Op deze wijze maken zij zichzelf bekend bij hun medeleden en onderscheiden zij zich van rivaliserende " [motorclub 7] ". Zo gebruikt [motorclub 1] de kleuren zwart -geel. Supportclubs van [motorclub 1] maken gebruik van dezelfde kleurstelling als de club die zij supporten, echter gebruiken zij de kleurstelling geel- zwart , het omgekeerde van de gebruikte kleurstelling van "moederclub" [motorclub 1] . Naast de ongeschreven regels voor het gebruik van de clubkleuren, is het lettertype van [motorclub 1] een formeel en geregistreerd trademark. Leden van [motorclub 1] dragen de zogeheten club colors op een vest. Die colors bestaan onder andere uit een "three piece backpatch". Dat "three piece backpatch" wordt gedragen op de rug en bestaat uit de naam [motorclub 1] (toprocker), daaronder het [motorclub 1] logo en daaronder (bottomrocker) de naam van het chapter, het land of de regio waar het chapter is gevestigd. Bij [motorclub 1] kan op de bottomrocker ook de herkomst van de drager worden weergegeven.

 Verbodenverklaring van [motorclub 1]

Bij beschikking van 18 juni 2018 heeft de rechtbank Den Haag [motorclub 1] verboden verklaard en met onmiddellijke ingang ontbonden. De rechtbank heeft beslist dat deze verbodenverklaring en ontbinding tevens de chapters en twee zelfstandige support clubs omvat. De rechtbank heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:

2.20 (…) Leden van [motorclub 1] maken al gedurende een reeks van jaren inbreuk op deze voor de Nederlandse samenleving fundamentele waarden. Deze veelvuldige en voortdurende inbreuken op de openbare orde ontwrichten de samenleving of kunnen de samenleving ontwrichten.

2.23 Het verzoekschrift van het OM bevat voorbeelden die de conclusie rechtvaardigen dat het bestuur van [motorclub 1] zelf leiding geeft aan het strafbare handelen van leden in strijd met de openbare orde. (…)

2.24 Ten aanzien van het leiding geven aan strafbare feiten is voorts van belang dat in het
verzoekschrift gemotiveerd wordt gesteld dat binnen [motorclub 1] een streng hiërarchisch klimaat heerst. Verwezen wordt onder meer naar de toelatingsprocedure, waarbij personen die de status van full-member nog niet hebben, zich ondergeschikt moeten gedragen ten opzichte van degenen die deze status wel hebben.

2.28 Mede gelet op de hiërarchische structuur kunnen de in de r.o. 2.17 en 2.18 hierboven omschreven regels inzake bad standing en de zwijgplicht aan het bestuur van [motorclub 1] worden toegerekend.

2.30 In het verzoekschrift wordt gemotiveerd gesteld dat binnen [motorclub 1] een cultuur heerst waarbij het plegen van strafbare feiten wordt gestimuleerd (…) Ook wijst het OM op de gang van zaken rond de "1%-patch". Dat niet exact bekend is voor welk gedrag de 1%-patch is uitgereikt doet verder ook niet ter zake. Waar het om gaat is dat door de gebruikte bewoordingen bewust een sfeer wordt gecreëerd waarin agressie en hardhandig optreden gestimuleerd worden.

De tekst gaat verder: De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken