Rb. Oost-Brabant 4 februari 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:529

Mega 26Aiti/March Verdenking plegen van drugsfeiten, voorbereidings- en /of bevorderingshandelingen daartoe, deelname aan een criminele drugsorganisatie en voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die verboden is verklaard (Satudarah MC). Het bewijs voor de aan verdachte tenlastegelegde feiten is in beslissende mate gebaseerd op de gegevens (berichten) die zijn verkregen uit de hack van communicatiedienst Exclu. Overwegingen met betrekking tot het bewijsminimum en interpretatie van de berichten. Vrijspraak deelname aan een criminele drugsorganisatie. Veroordeling voor het medeplegen van het bezit van harddrugs, het plegen van voorbereidings- en /of bevorderingshandelingen gericht op (kort gezegd) de handel in harddrugs en het verrichten van handelingen gericht op de voorzetting van de verboden organisatie Satudarah MC. De rechtbank legt een gevangenisstraf op voor de duur van 9 maanden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Team strafrecht
Parketnummers : 71.210631.22 en 71.192672.23 (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak : 4 februari 2025
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1974] ,
wonende te [adres ] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 10 mei 2023, 18 juli 2023, 12 oktober 2023, 11 december 2023, 4 november 2024,
5 november 2024, 6 november 2024 en 21 januari 2025.
Op de zitting van 12 oktober 2023 heeft de rechtbank de tegen verdachte, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte en zijn raadsvrouw naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaken zijn aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 11 april 2023 (ten aanzien van 71.210631.22) en 13 september 2023 (ten aanzien van 71.192672.23).

Op de zitting van 12 oktober 2023 is de tenlastelegging in de zaak met parketnummer 71.210631.22 met toepassing van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) gewijzigd.

In de zaak met parketnummer 71.210631.22 is aan verdachte tenlastegelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 09 september 2022 tot 14 januari 2023 te Tilburg en/of (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een) hoeveelhe(i)d(en) (van een materiaal bevattende) cocaïne en/of (een) hoeveelhe(i)d(en) (van een materiaal bevattende) MDMA, zijnde cocaïne en/of MDMA (elk) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, en/of enig(e) (ander(e)) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, (telkens)

(een) ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of te doen plegen en/of mede te plegen en/of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen (sub 1°) en/of
zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen (sub 2°) en/of
(een) voorwerp(en) en/of vervoermiddel(en) en/of stof(fen) en/of geld(en) en/of (een) ander(e) betaalmiddel(en) voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en) (sub 3°),

hebbende hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

zich laten informeren en/of informatie ingewonnen/gedeeld en/of gechat en/of overlegd over de afkomst en/of de kwaliteit en/of de aan-/verkoop en/of de prijs en/of de (verdere) handel van/in (een of meer van) bovengenoemd(e) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of
(een) bestelling(en) gédaan voor/van (monsters/samples van) (een of meer van) voornoemde middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst i en/of hulp/medewerking toegezegd bij de verkrijging van (een of meer) van genoemde middelen en/of
in het kader van voormelde activiteit(en) gecommuniceerd middels cryptocommunicatiedienst EXCLU, althans een berichtenplatform, en/of (een) pgp-/cryptotelefoon(s) en/of met elkaar en/of met een of meer leveranciers/afnemers contact gezocht/gehad en/of gehouden en/of (een) (prijs-/leverings-/winst)afspra(a)k(en) gemaakt en/of (een) ontmoeting(en) gehad;

(ZD 02 | traject 2 26MARCH)

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de période van 09 september 2022 tot en met 03 maart 2023, althans de periode van 09 september 2022 tot 14 januari 2023 te Tilburg en/of Duiven en/of (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of
(telkens) opzettelijk aamvezig heeft gehad

(een) hoeveelhe(i)d(en) (blokken/brokken) (van een materiaal bevattende) cocaïne en/of (een) hoeveelhe(i)d(en) (pillen/tabletten/kristallen) (van een materiaal bevattende) MDMA en/of (een) hoeveelhe(i)d(en) (pillen/tabletten) (van een materiaal bevattende) amfetamine, zijnde cocaïne en/of MDMA en/of amfetamine (elk) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, en/of enig(e) (ander(e)) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, waaronder

op of omstreeks 23 september 2022 een totale hoeveelheid van 2.500, althans (een) hoeveelhe(i)d(en), pillen/tabletten (van een materiaal bevattende) MDMA en/of
op of omstreeks 26 november 2022 een totale hoeveelheid van 30 kilogram/'stuks', althans (een) hoeveelhe(i)d(en), pillen/tabletten (van een materiaal bevattende) MDMA en/of
op of omstreeks 03 maart 2023 een totale hoeveelheid van 11, althans een of meer, pillen/tabletten (van een materiaal bevattende) amfetamine;

(ZD 03 | traject 3 26MARCH)

In de zaak met parketnummer 71.192672.23 is aan verdachte tenlastegelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 09 november 2022 tot en met 20 november 2022 te Tilburg en/of (elders) in Nederland (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een) hoeveelhe(i)d(en) (van een materiaal bevattende) MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, in elk geval enig middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, (telkens)

- (een) ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of te doen plegen en/of mede te plegen en/of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen (sub 1°) en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen (sub 2°) en/of

- (een) voorwerp(en) en/of vervoermiddel(en) en/of stof(fen) en/of geld(en) en/of (een) ander(e) betaalmiddel(en) voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en) (sub 3°),

hebbende hij, verdachte, (telkens)

- bij de gebruiker van het EXCLU-account/ [accountnaam 47] en/of de gebruikersnaam ‘ [gebruiksersnaam] ’ - (mede) met het oog op zijn, verdachtes, (bestaande/huidige) klanten en/of een nieuwe klant - geïnformeerd naar en/of gechat over:

- het bij deze gebruiker kunnen verkrijgen en/of door hem, gebruiker, kunnen (aan)leveren van voornoemd middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of

- de prijs en/of kwaliteit en/of een hoeveelheid van 30 ‘stuks’/kilogram, althans (een) hoeveelhe(i)d(en), van genoemd door die gebruiker (eventueel) (aan) te leveren middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of

- (hiertoe) voornoemde gebruiker verzocht om hem, verdachte, een foto te sturen en/of

- in het kader van genoemde activiteit(en) met voormelde gebruiker gecommuniceerd middels (een) pgp-/cryptotelefoon(s) en/of cryptocommunicatiedienst EXCLU, althans een berichtenplatform;

(ZD 06, Bijlage 3)

2.

hij in of omstreeks de periode van 08 september 2022 tot en met 03 februari 2023, althans de periode van 08 september 2022 tot en met 14 januari 2023, te Tilburg en/of Zaandam en/of Enschede en/of ‘s-Hertogenbosch en/of Rosmalen, gemeente ’s-Hertogenbosch, en/of (elders) in Nederland en/of Weelde, gemeente Ravels (BE), en/of (elders) in België heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) hem, verdachte, en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid en/of 10a eerste lid Opiumwet;

(ZD 08)

3.

hij in of omstreeks de periode van 08 september 2022 tot en met 03 februari 2023 te Tilburg en/of Zaandam en/of Enschede en/of ’s-Hertogenbosch en/of Rosmalen, gemeente ’s-Hertogenbosch, en/of Breda en/of Heerhugowaard, gemeente Dijk en Waard, en/of Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of (elders) in Nederland en/of Weelde, gemeente Ravels (BE), en/of (elders) in België tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing van 13 november 2020 verboden is verklaard, te weten [motorclub 1] (Motorcycleclub), heeft voortgezet, immers hebbende/zijnde hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

- deel uitgemaakt van en/of (versleuteld) gecommuniceerd/gechat in een of meer (chat)groepen van cryptocommunicatiedienst EXCLU, in/middels welke (chat)groep(en) verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) en/of (een of meer) andere leden van [motorclub 1]

- werd(en) geïnformeerd en/of zich heeft/hebben laten informeren over en/of op de hoogte werd(en) gebracht/gehouden en/of zich op de hoogte heeft/hebben laten brengen/houden van en/of uitgenodigd voor een of meer [motorclub 1] gerelateerde evenementen en/of festiviteiten en/of clubavonden en/of meetings en/of vergaderingen en/of ride-outs en/of condoleances en/of uitvaarten/crematies en/of

installaties en/of bevorderingen en/of kennistoetsen/-afnames en/of reizen en/of de heffing/betaling van contributie en/of (andere) [motorclub 1] gerelateerde (promotie-)activiteiten en/of ontwikkelingen en/of

- werd(en) opgeroepen en/of uitgenodigd tot en/of aangesproken op (verplichte) aanwezigheid en/of het (verplicht) dragen van clubkleding/-colors bij en/of het (verplicht) komen met de motor/bike naar en/of financiële ondersteuning van (een of meer van) (die) evenementen en/of festiviteiten en/of clubavonden en/of meetings en/of vergaderingen en/of ride-outs en/of condoleances en/of

uitvaarten/crematies en/of installaties en/of bevorderingen en/of kennistoetsen/-afnames en/of reizen en/of het betalen van contributie en/of (andere) [motorclub 1] gerelateerde (promotie-)activiteiten en/of

- werd(en) geïnformeerd en/of op de hoogte werd(en) gebracht/gehouden en/of werd(en) bevraagd en/of werd(en) uitgenodigd en/of om toestemming werd(en) gevraagd naar gelang/op basis van en/of met inachtneming/oog van/voor zijn/hun rang binnen [motorclub 1] en/of met/in (een) (voor de clubcultuur/-binding bevestigende/bestendigende) begroeting(en)/bewoording(en) (zoals ‘ [slogan] ’) en/of

- werd(en) opgeroepen en/of uitgenodigd tot en/of aangesproken op het (vanuit Nederland) bedienen en/of ondersteunen van (een of meer) (activiteiten van) [motorclub 1] -chapters in Nederland en/of in het buitenland en/of

- (zelf) heeft/hebben bericht en/of gereageerd en/of geïnformeerd en/of opgeroepen en/of geadviseerd en/of geïnstrueerd en/of om toestemming gevraagd ten behoeve/in het kader van (een of meer van) (voornoemde) [motorclub 1] gerelateerde (promotie-)activiteiten en/of ontwikkelingen en/of

- (hiertoe) (elk) (een) pgp-/cryptotelefoon(s) voorhanden en/of ter beschikking gehad en/of

- een of meer van voornoemde (chat)groepen van EXCLU aangemaakt en/of aan laten maken en/of gebruikers/accounts toegevoegd en/of toe laten voegen en/of

- een of meer (van voornoemde) [motorclub 1] gerelateerde (promotie-)activiteiten (mede) voorbereid en/of laten voorbereiden en/of geregeld en/of laten regelen en/of ondersteund en/of laten ondersteunen en/of georganiseerd en/of laten organiseren en/of (verplicht) bezocht/bijgewoond en/of

- op of omstreeks 29 september 2022 en/of 30 september 2022 een ( [motorclub 1] gerelateerde) condoleance en/of rouwstoet en/of - middels/via Youtube uitgezonden en/of (later) te volgen/bekijken - uitvaart per/met (de) motor/bike en/of in clubkleding/-colors (verplicht) bezocht en/of (verplicht) laten bezoeken en/of (verplicht) bijgewoond en/of (verplicht) laten bijwonen en/of

- zich laten informeren over en/of voorbereidingen getroffen en/of laten treffen voor en/of afgereisd naar de ‘Promo’ van 21 oktober 2022 te Indonesië (Ambon), alwaar een van verdachtes mededaders werd bevorderd tot/in de rang van (mede-) Kapikane , en/of

- clubkleding/-colors/-attributen/-artikelen gedragen en/of voorhanden gehad en/of (aldus/daarmede) ter beschikking en/of ter aanlevering/gebruik (voorhanden) gehad/gehouden voor (voormelde) [motorclub 1] gerelateerde evenementen en/of festiviteiten en/of clubavonden en/of meetings en/of

vergaderingen en/of ride-outs en/of condoleances en/of uitvaarten/crematies en/of installaties en/of bevorderingen en/of reizen en/of (andere) [motorclub 1] gerelateerde (promotie-)activiteiten.

(ZD 09)

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officieren van justitie kunnen in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De aanleiding van het opsporingsonderzoek.

Door het Team Criminele Inlichtingen is op 15 juli 2022 de informatie gedeeld dat [verdachte] (hierna: [verdachte] ), [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) en een vierde persoon nog steeds de absolute leiders zijn van de verboden motorclub [motorclub 1] , dat zij zich bezig houden met (onder meer) de handel in verdovende middelen en het plegen van andere strafbare feiten en in dat kader opdracht geven aan leden van [motorclub 1] . Er was ook informatie van het Nationaal Informatie Knooppunt “ [motorclub 7] ” binnengekomen dat [motorclub 1] wordt voortgezet onder de naam [motorclub 6] en dat de colors van die club bijna één op één lijken op die van [motorclub 1] en de daaraan gerelateerde clubs. Op 4 augustus 2022 is om die reden het onderzoek 26March gestart.

Daarnaast liep sinds 28 april 2022 bij het Landelijk Parket het strafrechtelijk opsporingsonderzoek 26Lytham. Dit onderzoek richtte zich op de gebruikers van de versleutelde communicatiedienst Exclu. Het doel van dit onderzoek was de gebruikers van deze communicatiedienst te identificeren en de vermoedelijke criminele georganiseerde verbanden en de vermoedelijke strafbare feiten die in dat verband gepleegd of beraamd werden inzichtelijk te maken. Om dit te kunnen bereiken zijn meerdere technische acties uitgevoerd. Op die manier konden berichten, die door middel van deze communicatiedienst werden verstuurd, ontsleuteld en meegelezen worden. In de periode van 3 oktober 2022 t/m 5 februari 2023 is het mogelijk geweest om live mee te kijken met het berichtenverkeer. Eerder verstuurde berichten konden tot 8 september 2022 worden teruggelezen.

Op grond van de ontsleutelde Exclu-berichten en de inzet van een aantal bijzondere opsporingsbevoegdheden in het onderzoek 26Lytham, is [medeverdachte 1] als mogelijke gebruiker van deze communicatiedienst geïdentificeerd. Ook meerdere van zijn tegencontacten konden geïdentificeerd worden. Na analyse van de beschikbaar gekomen berichten werd bevestiging gevonden in het vermoeden dat [medeverdachte 1] en anderen zich bezig hielden met de handel in verdovende middelen. Op basis van die berichten en na inzet van ook andere bijzondere opsporingsbevoegdheden (al dan niet in onderzoek 26Lytham en/of 26March) werden ook [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ), [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ), [verdachte] , [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5] ), [medeverdachte 6] (hierna: [medeverdachte 6] ), [medeverdachte 8] (hierna: [medeverdachte 8] ) en [medeverdachte 7] (hierna: [medeverdachte 7] ) als mogelijke gebruikers van Exclu geïdentificeerd en zijn deze, evenals [medeverdachte 1] , in onderzoek 26March als verdachten van het plegen van strafbare feiten in beeld gekomen.

Onderzoek 26March heeft uiteindelijk geleid tot meerdere verdenkingen tegen voornoemde personen die al dan niet in georganiseerd verband zich bezig hebben gehouden met het plegen van strafbare feiten. Op de landelijke actiedag op 3 februari 2023 zijn meerdere verdachten aangehouden, vonden in verschillende woningen en voertuigen doorzoekingen plaats en werden meerdere voorwerpen in beslag genomen. Omdat op deze actiedag niet alle verdachten aangehouden konden worden, is ter afscherming van onderzoek 26March een afzonderlijk opsporingsonderzoek onder de naam 26Aiti opgestart. Na de aanhouding van de overige verdachten is op 6 maart 2023 de noodzaak tot afscherming van onderzoek 26March komen te vervallen en werden de op 3 februari 2023 aangehouden verdachten in onderzoek 26Aiti medegedeeld dat zij ook als verdachten waren aangemerkt in onderzoek 26March. De onderzoeksbevindingen van beide onderzoeken zijn gevoegd in één doorgenummerd politieproces-verbaal en is het onderzoek 26Aiti/March komen te heten.

De tenlastegelegde feiten

Het procesdossier bestaat onder meer uit negen zaaksdossiers waarin de onderzoeksbevindingen naar de vermoedelijk gepleegde strafbare feiten zijn neergelegd. De verdenkingen die voortvloeien uit deze zaaksdossiers komen erop neer dat de verdachten (al dan niet tezamen) zich schuldig hebben gemaakt aan:

het invoeren van een partij cocaïne (zaaksdossier 1);
het plegen van voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen gericht op het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen en het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van hoeveelheden cocaïne, MDMA, amfetamine en metamfetamine (zaaksdossiers 1, 2, 4 en 6);
het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en aanwezig hebben van hoeveelheden cocaïne, MDMA en metamfetamine (zaaksdossiers 2, 3, 5 en 7);
het deelnemen aan een criminele drugsorganisatie (zaaksdossier 8) en
het voortzetten van de werkzaamheid van een organisatie ( [motorclub 1] ) die verboden is verklaard (zaaksdossier 9).

De standpunten.

Het standpunt van de officieren van justitie.

De officieren van justitie hebben op de in het schriftelijk requisitoir uitgewerkte gronden gevorderd dat de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van:

feit 1 in de zaak met parketnummer 71.210631.22;
feit 2 in de zaak met parketnummer 71.210631.22, met dien verstande dat verdachte op partieel moet worden vrijgesproken, namelijk van de tenlastegelegde cocaïne, amfetamine en de onder het tweede gedachtestreepje genoemde MDMA en
feit 1 en feit 2 in de zaak met parketnummer 71.192684.23.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft betoogd:

(1) dat verdachte moet worden vrijgesproken van:

feit 2 in de zaak met parketnummer 71.210631.22;
feit 1, feit 2 en feit 3 in de zaak met parketnummer 71.192672.23;

(2) dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van:

- feit 1 in de zaak met parketnummer 71.210631.22, met dien verstande dat de voorbereidings- / bevorderingshandelingen niet betrekking hebben gehad op het in- of uitvoeren van de verdovende middelen en evenmin betrekking hebben gehad op MDMA, maar uitsluitend op cocaïne.

De opbouw van het vonnis.

De rechtbank zal hierna eerst ingaan op de identificatie van de verdachten als gebruikers van de aan hen toegeschreven Exclu-accounts. Daarna zal de rechtbank in zijn algemeenheid een aantal overwegingen wijden aan het bewijsminimum, de interpretatie van de Exclu-berichten en de aard van voorbereidings- en bevorderingshandelingen. Vervolgens zal de rechtbank per zaaksdossier de vraag behandelen of de verschillende verdenkingen die daaruit voortvloeien tot een bewezenverklaring kunnen leiden. Daarna zal de rechtbank zich uitlaten over de vraag of, en zo ja, welke straf(fen) aan verdachte(n) opgelegd zal/zullen worden. Tot slot zal de rechtbank beslissen wat er moet gebeuren met de onder hen in beslag genomen voorwerpen (voor zover er nog beslag op rust) en of verdachten weer in voorlopige hechtenis moeten worden genomen.

De rechtbank merkt in dit kader afrondend nog op dat de raadslieden van vrijwel alle medeverdachten zich bij elkaars verweren hebben aangesloten. Daarom zal de rechtbank haar oordeel met betrekking tot de gevoerde verweren in de vonnissen van alle verdachten opnemen, tenzij dit door de rechtbank niet relevant wordt geacht in de betreffende zaak/zaken van de verdachte(n).

De bewijsmiddelen.

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze uitwerking is als bijlage bij dit vonnis gevoegd. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

De rechtbank overweegt daarbij dat zij het dossier in zijn geheel heeft beschouwd en dat de ten laste gelegde feiten en de gedachtestreepjes waarin de afzonderlijke feitelijke gedragingen zijn vervat niet los van elkaar, maar in onderling verband en samenhang, zijn bezien. Dit betekent onder meer dat de rechtbank bij de beoordeling van de feiten in het kader van een bepaald zaaksdossier tevens stukken uit andere zaaksdossiers van het onderzoek heeft betrokken.

Tot slot merkt de rechtbank op dat zij om redenen van efficiëntie in sommige zaaksdossiers er voor heeft gekozen om de bewijsmiddelen voor alle verdachten op te nemen. Dit kan betekenen dat er ook bewijsmiddelen zijn opgenomen die niet direct op deze verdachte betrekking hebben.

De bewijsbeslissing.

 De identificatie van de gebruikers van de Exclu-accounts.

Het procesdossier bevat een aantal processen-verbaal waarin, op basis van de daarin beschreven feiten en omstandigheden, een groot aantal Exclu-accounts worden toegeschreven aan de verdachten. De vraag die de rechtbank zal moeten beantwoorden is of bewezen kan worden geacht dat verdachten de gebruikers zijn geweest van de accounts die aan hen worden toegeschreven. De rechtbank komt ten aanzien van de verschillende verdachten tot het volgende oordeel.

[medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 4]

Deze verdachten hebben bekend dat zij gebruikers zijn geweest van de Exclu-accounts die door het opsporingsteam aan hen zijn toegeschreven. Gelet daarop en gelet op de feiten en omstandigheden die zijn beschreven in de processen-verbaal van identificatie en de aanvullingen daarop, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat:

[medeverdachte 1] gebruiker is geweest van de accounts [accountnaam 1] en [accountnaam 2] );
[verdachte] gebruiker is geweest van het account [accountnaam 3] ) en
[medeverdachte 4] gebruiker is geweest van de accounts [accountnaam 4] , [accountnaam 5] , [accountnaam 6] , [accountnaam 7] , [accountnaam 8] , [accountnaam 9] , [accountnaam 10] , en [accountnaam 11] .

[medeverdachte 5] en [medeverdachte 2]

In de processen-verbaal van identificatie en de aanvullingen daarop zijn de Exclu-accounts [accountnaam 12] en [accountnaam 13] ) toegeschreven aan respectievelijk [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] . De feiten en omstandigheden die aan deze identificatie ten grondslag liggen, zijn voldoende specifiek en identificerend om tot een betrouwbare en juiste identificatie te kunnen komen van deze twee verdachten als de gebruikers van deze accounts. Van hen had daarom een redelijke verklaring mogen worden verlangd om dit te weerleggen. Zij hebben zich echter beroepen op hun zwijgrecht en hun raadslieden hebben op dit punt geen verweren gevoerd. Daarmee zijn de in voornoemde processen-verbaal beschreven feiten en omstandigheden en de conclusies van het opsporingsteam overeind blijven staan. De rechtbank acht dus bewezen dat [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] de gebruikers zijn geweest van de Exclu-accounts [accountnaam 12] respectievelijk [accountnaam 13] .

[medeverdachte 3]

heeft bekend dat hij gebruiker is geweest van de accounts [accountnaam 14] , [accountnaam 15] , [accountnaam 16] , [accountnaam 17] , [accountnaam 18] en [accountnaam 19] . In combinatie met de inhoud van de desbetreffende processen-verbaal van identificatie en de aanvullingen daarop, is daarmee bewezen dat verdachte de gebruiker is geweest van voornoemde Exclu-accounts.

[medeverdachte 3] heeft betwist dat hij de gebruiker is geweest van de accounts [accountnaam 20] en [accountnaam 21] . Hij heeft dit in een schriftelijke verklaring uitgebreid toegelicht en op de zitting heeft verdachte naar die verklaring verwezen en daarin volhard. Hoewel er aanwijzingen in het dossier zijn dat [medeverdachte 3] ook de gebruiker van deze accounts is geweest, zal de rechtbank de verdere beantwoording van die vraag in het midden laten. De berichten die met deze accounts zijn verstuurd en/of ontvangen dragen namelijk niet bij tot het bewijs van enig tenlastegelegd feit.

[medeverdachte 6]

In de processen-verbaal van identificatie en de aanvullingen daarop worden aan [medeverdachte 6] de Exclu-accounts [accountnaam 22] , [accountnaam 23] , [accountnaam 24] , [accountnaam 25] en [accountnaam 26] toegeschreven. De feiten en omstandigheden die aan deze identificaties ten grondslag liggen, zijn voldoende specifiek en identificerend om de conclusie te kunnen dragen dat verdachte de gebruiker is geweest van deze accounts. Van hem had daarom een redelijke verklaring mogen worden verlangd om dat te weerleggen. Verdachte heeft een dergelijke verklaring echter niet gegeven en zich beroepen op zijn zwijgrecht. De raadsman van verdachte heeft met betrekking tot de accounts [accountnaam 22] , [accountnaam 25] en [accountnaam 23] geen nadere verweren gevoerd. De in voornoemde processen-verbaal beschreven feiten en omstandigheden en de conclusies van het opsporingsteam zijn daarmee overeind blijven staan. De rechtbank acht op grond daarvan bewezen dat [medeverdachte 6] de gebruiker is geweest van deze Exclu-accounts.

De raadsman heeft betwist dat verdachte de gebruiker is geweest van de accounts [accountnaam 24] en [accountnaam 26] . Hij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat er geen persoonlijke, naar verdachte te herleiden, berichten zijn verstuurd en/of ontvangen door de gebruiker van deze accounts, dat de schrijfwijze van de berichten door de gebruiker van [accountnaam 24] en [accountnaam 26] verschillen met die van de gebruiker van de accounts [accountnaam 22] en [accountnaam 23] en dat de wachtwoorden van voornoemde accounts niet met elkaar overeenkomen.

De rechtbank komt ten aanzien van deze accounts tot het volgende oordeel.

[accountnaam 24]

Op 15 oktober 2022 vond een gesprek plaats tussen de gebruiker van het account [accountnaam 24] en het account met het nummer [accountnaam 27] . Om 11.49.59 uur vroeg [accountnaam 24] of hij deze kon “replacen”. [accountnaam 27] vroeg hierop om 11.53.01 uur aan de gebruiker van het account met het nummer [accountnaam 28] of hij een “replace” voor [accountnaam 24] mocht hebben. [accountnaam 28] stuurde om 11.56.49 uur vervolgens een licentie- of activatiecode door naar [accountnaam 27] , waarna [accountnaam 27] diezelfde code om 11.56.57 uur doorstuurde naar de gebruiker van het account [accountnaam 23] (dat was dus, zoals hierboven is vastgesteld, [medeverdachte 6] ). Om 12.05.37 uur berichtte [accountnaam 23] vervolgens dat hij het eindelijk weer deed.

Uit voorgaande berichten, die elkaar in korte tijd opvolgen, blijkt dat aan het account [accountnaam 23] van [medeverdachte 6] een bepaalde licentiecode is toegestuurd om een gebruikersaccount aan te kunnen maken. Kennelijk verrast dit bericht [medeverdachte 6] niet, aangezien hij niet vraagt waarom hij deze code heeft ontvangen. Integendeel, hij lijkt opgelucht te zijn dat - zo begrijpt de rechtbank - de applicatie/het account weer naar behoren werkt. Het zou ook niet voor de hand hebben gelegen een dergelijke code naar een andere persoon te sturen dan naar degene die erom heeft gevraagd. Omdat de gebruiker van het account [accountnaam 24] om een licentiecode heeft gevraagd en deze code kort daarop naar het account [accountnaam 23] van [medeverdachte 6] is toegezonden, leidt dit logischerwijs tot de conclusie dat hij als gebruiker van het account [accountnaam 24] om die code heeft gevraagd.

[accountnaam 26] Met de hiervoor genoemde licentie-/activatiecode is vervolgens het account [accountnaam 26] aangemaakt, dat op 15 oktober 2022 is geactiveerd. Uit de metadata blijkt dat het account [accountnaam 24] na 15 oktober inactief is geworden. Op 15 oktober 2022 om 09.44.54 uur vroeg de gebruiker van het account [accountnaam 24] ( [medeverdachte 6] dus) aan de gebruiker met het nummer [accountnaam 48] hoe de afspraak met die kleine was. Een reactie van [accountnaam 48] bleef op dat moment uit. Enige tijd later, om 16.31.08 uur, stuurde [accountnaam 48] een bericht aan de gebruiker van het account [accountnaam 26] , waarin met vraagtekens aangegeven werd dat hij wat gevraagd had op diens andere naam. [accountnaam 26] reageerde hierop om 17.20.22 uur en zei dat dit klopte en vroeg hoe de afspraak met die kleine was. Ook werd er op die dag door een onbekend gebleven gebruiker aan account [accountnaam 26] gevraagd: “nieuwe gold?”, waarop [accountnaam 26] antwoordde dat dit zijn nieuwe werkmail was.

Uit bovenstaande omstandigheden leidt de rechtbank af dat het account [accountnaam 26] het opvolgend account was van het account [accountnaam 24] en dat [medeverdachte 6] de gebruiker daarvan was.

De raadsman heeft er nog op gewezen dat de schrijfwijze van enige woorden in de berichten door de gebruiker van [accountnaam 24] en [accountnaam 26] verschilt met die van de gebruiker van de accounts [accountnaam 22] en [accountnaam 23] . De enkele omstandigheid dat niet steeds een consequente schrijfwijze wordt gehanteerd wil echter nog niet zeggen dat dit duidt op verschillende gebruikers van de accounts. De conclusie is dat bewezen is dat [medeverdachte 6] de gebruiker is geweest van beide accounts.

[medeverdachte 8]

In het proces-verbaal van bevindingen (opgenomen in het einddossier) en het proces-verbaal aanvulling (dat ten behoeve van de raadkamer gevangenhouding is opgemaakt) worden aan [medeverdachte 8] de Exclu-accounts [accountnaam 29] en [accountnaam 30] (36853) toegeschreven.

[accountnaam 29]

De feiten en omstandigheden die aan deze identificatie ten grondslag liggen, zijn voldoende specifiek en identificerend om de conclusie te dragen dat [medeverdachte 8] de gebruiker was van dit account. Van hem had daarom een redelijke verklaring mogen worden verlangd om dat te weerleggen. [medeverdachte 8] heeft een dergelijke verklaring echter niet gegeven, omdat hij zich beroepen heeft op zijn zwijgrecht. De raadsvrouw heeft geen nader verweer gevoerd. De in voornoemde processen-verbaal beschreven feiten en omstandigheden en de conclusies van het opsporingsteam zijn daarmee overeind blijven staan. Daarom kan bewezen worden geacht dat [medeverdachte 8] de gebruiker is geweest van het Exclu-account [accountnaam 29] .

[accountnaam 30]

De rechtbank neemt allereerst in aanmerking dat de hashwaarden van de wachtwoorden van accounts [accountnaam 29] en [accountnaam 30] gelijk zijn aan elkaar. De verbalisanten hebben in hun verbalen uitgelegd dat een hashwaarde een uniek nummer is hetgeen wil zeggen dat voor beide accounts hetzelfde wachtwoord is gebruikt. De officieren van justitie hebben in hun requisitoir toegelicht dat de hashwaarden niet een door een reseller gehanteerd algemeen wachtwoord inhoudt. De cryptografische hashwaarden van de wachtwoorden die gekoppeld zijn aan deze accounts zijn niet meer leesbaar terug te vinden. Daarom kan de stelling van de verdediging dat voor beide accounts een standaard wachtwoord was ingesteld niet worden geverifieerd. Wel kan uit het voorgaande aannemelijk geacht worden dat de gebruiker van de accounts (en dus niet de reseller) deze unieke wachtwoorden heeft ingesteld. Voor de stelling van de verdediging dat er sprake zou zijn geweest van een zogeheten hashbotsing is er geen begin van aannemelijkheid gegeven, aangezien deze stelling verder niet is onderbouwd. Geconcludeerd wordt dus dat voor beide accounts eenzelfde wachtwoord is gebruikt, hetgeen een sterke aanwijzing is dat die accounts door dezelfde persoon worden gebruikt.

Over de berichten van en naar de gebruiker van het account [accountnaam 30] overweegt de rechtbank het volgende. [medeverdachte 4] heeft op 24 oktober 2022 om 10.21.14 uur tegen de gebruiker van het account [accountnaam 29] ( [medeverdachte 8] ) gezegd dat [accountnaam 30] op rood stond, ook op Signal, waarop Zwart antwoordde: “klopt gab, heb geen 4G […]”.. De rechtbank interpreteert dit gesprek zo dat [medeverdachte 8] zegt dat hij ( [medeverdachte 8] ) geen 4G-netwerk heeft en dat daarom het account [accountnaam 30] op rood staat (inactief is). Dit wijst dus in de richting van [medeverdachte 8] als gebruiker van het account [accountnaam 30] .

Op 11 januari 2023 om 14.00.40 uur zei [medeverdachte 4] tegen [accountnaam 30] dat hij iemand 49.900 moest geven, waarop [accountnaam 30] antwoordde met oké. Om 15.30.20 uur vroeg [medeverdachte 4] aan [accountnaam 30] om 49.900 klaar te leggen in een tas en dat hij zo zou zeggen waar de rest gelegd moest worden. Om 15.59.24 uur vond er vervolgens een gesprek plaats tussen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 8] ( [accountnaam 29] ). [medeverdachte 4] vroeg of hij het al naar zijn moeder had gebracht, waarop [accountnaam 29] zei dat hij de taxi zou pakken en 570 teruglegt. [medeverdachte 4] maakte daarop een berekening en berichtte vervolgens: “ je moet 49.900 geven”. Ook deze berichten leveren dus een sterke aanwijzing op dat [medeverdachte 8] gebruiker is van het account [accountnaam 30] . Bovendien is, zoals bij de behandeling van zaaksdossier 2 en 8 nog aan de orde zal komen, van [medeverdachte 8] gebleken dat hij het geld van [medeverdachte 4] beheerde. Het verweer van de raadsvrouw dat de berichten juist een contra-indicatie hiervoor vormen, slaagt dan ook niet.

De voorgaande omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, leiden tot de conclusie dat [medeverdachte 8] ook de gebruiker is geweest van het account [accountnaam 30] .

[medeverdachte 7]

In de processen-verbaal van identificatie en de aanvullingen daarop worden aan [medeverdachte 7] de Exclu-accounts [accountnaam 33] en [accountnaam 34] toegeschreven. Hij heeft ter zitting tevens bekend dat hij deze accounts heeft gebruikt. Op grond daarvan kan worden bewezen dat [medeverdachte 7] de gebruiker is geweest van voornoemde Exclu-accounts. [medeverdachte 7] heeft ter zitting naar voren gebracht dat ook een ander op momenten gebruik heeft gemaakt van deze accounts. Dit doet aan de identificatie van hem als gebruiker van de accounts echter niet af.

 Algemene overwegingen.

Het bewijsminimum

Het bewijs voor de aan de verdachten tenlastegelegde feiten is in beslissende mate gebaseerd op de gegevens die zijn verkregen uit de hack van communicatiedienst Exclu. Het procesdossier bevat een door de politie gemaakte selectie van een grote hoeveelheid aan Exclu-berichten die verzonden en ontvangen zijn door de gebruikers van verschillende aan verdachten toegeschreven accounts. Volgens de verdediging van meerdere verdachten wordt de lat van het wettelijk vereiste bewijsminimum door het gebruikmaken van deze berichten niet gehaald, omdat die berichten “andere geschriften” zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid, sub 5, Sv en er om die reden geen zelfstandige betekenis of bewijswaarde aan die berichten kan toekomen. Er zijn andere bewijsmiddelen nodig om die berichten tot een wettig bewijsmiddel te maken, waarbij steeds zelfstandig en objectief steunbewijs nodig is om aan het bewijsminimum te kunnen voldoen. Volgens de verdediging ontbreken die andere bewijsmiddelen, zodat reeds om die reden de verdachten moeten worden vrijgesproken van de aan hen tenlastegelegde feiten.

De rechtbank overweegt hierover als volgt.

De in het procesdossier opgenomen Exclu-berichten zijn aan te merken als andere geschriften in de zin van artikel 344, eerste lid, sub 5, Sv. Op grond van dat wetsartikel kunnen dergelijke geschriften alleen gelden in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen. Eén (ander) bewijsmiddel kan volstaan en dat bewijsmiddel mag ook weer een ander geschrift zijn. Aan het verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen worden geen zware eisen gesteld, in die zin dat het verband door de rechter niet uitdrukkelijk hoeft te worden aangegeven. Dit betekent dat (in dit geval) een Exclu-bericht tevens steun kan vinden in een ander Exclu-bericht (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:474 en de conclusie van de AG van 7 februari 2023, ECLI:NL:PHR:2023:163).

Op grond van het procesdossier heeft de rechtbank kunnen vaststellen dat de verdachten in deze zaak en andere onbekend gebleven personen meermalen en op verschillende momenten naar elkaars Exclu-accounts berichten hebben verstuurd en ontvangen. Hierbij zijn regelmatig afbeeldingen van witte blokken, kristallen of pegels verstuurd, die de inhoud van die berichten ondersteunen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er meerdere bewijsmiddelen uit meerdere bronnen aanwezig zijn en dat daarmee aan het wettelijk vereiste bewijsminimum is voldaan. Het door de verdediging gevoerde verweer wordt dan ook verworpen.

Interpretatie van de berichten

In de verschillende zaaksdossiers is een lijst opgenomen met afkortingen/termen met een uitleg van die begrippen door het Cluster Synthetische Drugs van de Landelijke Recherche. Deze lijst is samengesteld door een materiedeskundige op het gebied van (synthetische) drugs, precursoren en NPS. De verklaringen voor deze begrippen zijn gebaseerd op meer dan één informatiebron uit onderzoeken, tap-/ovc-gesprekken, boekhoudingen en ambtshalve verkregen informatie.

De rechtbank verenigt zich met de uitleg die de politie heeft gegeven aan de termen en afkortingen die in de chatberichten worden gebruikt. De rechtbank gaat er dus van uit dat verdachten met andere Exclu-gebruikers communiceerden over onder andere cocaïne (bijvoorbeeld “blokken”, “C” “Ecu” “Colo”), metamfetamine (“Ice”), MDMA (“M”), contant geld (“pap”) en duizendtallen (“k”). Deze uitleg is ook in lijn met hetgeen de rechtbank ambtshalve bekend is uit andere Opiumwetzaken en past bij de communicatie door middel van versleutelde berichten, de samenhang tussen de chatberichten, de bedekte termen die onderling niet tot misverstanden leiden en de afbeeldingen die bij sommige chatberichten zijn gevoegd.

Kortom; naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier geen aanwijzingen dat de chatberichten op een andere wijze uitgelegd zouden moeten worden dan door de politie is gedaan. Bij gebrek aan een aannemelijke alternatieve uitleg door verdachten, ziet de rechtbank geen reden om een andere betekenis toe te kennen aan de chatberichten. Daarmee verwerpt de rechtbank het verweer van de verdediging dat bepaalde berichten anders uitgelegd kunnen worden; deze andere uitleg vindt geen steun in het dossier en wordt ook niet nader onderbouwd door bijvoorbeeld een alternatieve uitleg door verdachte(n).

Het feit dat geen van de stoffen waarover in de chatberichten wordt gesproken in beslag is genomen en getest is, staat naar het oordeel van de rechtbank evenmin aan een bewezenverklaring in de weg. Op basis van de in de chatberichten gebruikte termen, de afgeschermde werkwijze (met versleutelde berichten, verborgen identiteiten door het gebruik van chatID’s) en de hoogte van de met de middelen gemoeide geldbedragen is het naar het oordeel van de rechtbank evident dat de berichten daadwerkelijk over de hiervoor genoemde verboden middelen gingen.

Strafbare voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen

De rechtbank stelt tot slot voorop dat de voorbereiding en/of bevordering van een misdrijf als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet (kort gezegd: drugshandel), in artikel 10a, eerste lid van die wet als zelfstandig delict strafbaar is gesteld om in een vroeg stadium van de organisatie van de (internationale) handel in drugs in te kunnen grijpen. Dit betekent dat reeds strafbaar is het uiting geven aan de intentie om verdovende middelen te verkopen, afleveren, verstrekken etc. door het plegen van daarop gerichte voorbereidings- of bevorderingshandelingen.

 Zaaksdossier 2

De verdenking Dit zaaksdossier is grotendeels gebaseerd op chatberichten die zijn verstuurd en ontvangen via Exclu. Al deze chatberichten hebben geleid tot de verdenking dat [medeverdachte 4] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] zich in de periode van 8 september 2022 tot en met 3 maart 2023 hebben beziggehouden met de handel in (blokken) cocaïne (Messi en Bentley) c.q. (blokken) cocaïne voorhanden hebben gehad. [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] worden er eveneens van verdacht dat zij in die periode voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen hebben getroffen ten behoeve van de handel in (blokken) cocaïne. [verdachte] en [medeverdachte 1] worden uitsluitend voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen ten behoeve van de handel in (blokken) cocaïne verweten.

In dit zaaksdossier hebben de raadslieden van de verdachten verschillende standpunten ingenomen. Omdat de standpunten van de raadslieden uiteenlopen, zal de rechtbank hierna enkel het standpunt van de verdediging van [verdachte] vermelden en daarna toelichten waarom de rechtbank tot haar oordeel gekomen is.

Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw van verdachte heeft naar voren gebracht dat voorbereidingshandelingen met het oog op de handel in cocaïne, zoals aan hem in dit zaaksdossier ten laste is gelegd, bewezen kunnen worden. Zij heeft nog gesteld dat het allemaal niets voorstelde en dat nergens uit blijkt dat het de bedoeling was een grootschalige handel in cocaïne op te stellen, zoals het openbaar ministerie heeft gesteld.

Het oordeel van de rechtbank De rechtbank komt op grond van de in de bewijsmiddelenbijlage opgenomen redengevende feiten en omstandigheden tot een bewezenverklaring van de voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen die aan [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] en [verdachte] zijn tenlastegelegd. [medeverdachte 1] zal hiervan worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit feit bij hem niet wettig en overtuigend bewezen acht. Ook kan de handel in cocaïne door [medeverdachte 4] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] worden bewezen verklaard.

De rechtbank overweegt met betrekking tot [verdachte] als volgt.

Verdachte is op 9 september 2022 door [medeverdachte 2] geïnformeerd over het feit dat hij een blok “Messi” kon krijgen van [medeverdachte 4] . Ook stuurde [medeverdachte 2] hem informatie over de kwaliteit, herkomst en prijs ervan en stuurde hij foto’s door naar verdachte die hij daarvoor van [medeverdachte 4] had ontvangen. Dit zijn foto’s van vermoedelijk een blok cocaïne met de stempel Messi. Verdachte liet vervolgens weten dat hij een klein brokje wilde voor een klant en dat als het goed gekeurd zou worden, ze meteen zouden werken. Later die dag liet [medeverdachte 2] aan verdachte weten dat hij die avond een hele zou krijgen en dat hij verdachte wel zou appen als het er was. Om 21.11 uur die avond stuurde [medeverdachte 2] naar verdachte “Kom je” waarop hij reageerde met: “ja kom eraan”.

Gelet op deze berichten kan naar het oordeel van de rechtbank bewezen worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare voorbereidingshandelingen. De gesprekken die hij via Exclu met [medeverdachte 2] voerde waren immers gericht op het verkrijgen van een monster ten behoeve van een langdurige handel in cocaïne. Dit is voldoende om tot een bewezenverklaring te komen. Het verweer slaagt daarom niet.

 Zaaksdossier 3

De verdenking [verdachte] wordt op basis van de in zaaksdossier 3 opgenomen chatberichten verdacht van de handel in verschillende verdovende middelen.

Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde handelingen met cocaïne, nu in de in zaaksdossier 3 aanwezige chatberichten niet gesproken wordt over dit verdovende middel. Ook moet hij worden vrijgesproken van het in bezit hebben van amfetamine op 3 maart 2023. Tot slot heeft de raadsvrouw gesteld dat ook niet bewezen kan worden dat verdachte 2.500 pillen MDMA aanwezig heeft gehad op 23 september 2022. In de eerste plaats wordt volgens haar niet voldaan aan het bewijsminimum. Het dossier bevat geen ondersteuning voor de chatberichten die over 2.500 pillen zouden gaan. Verder kan op basis van de chatberichten niet worden vastgesteld wat verdachte precies zou krijgen en of de geleverde pillen daadwerkelijk MDMA bevatten. Ook is het mogelijk dat met de term “snoepjes” heel iets anders dan XTC-pillen bedoeld werd. Evenmin is duidelijk hoeveel pillen verdachte heeft gekregen. Eerst werd gesproken over 2.500 pillen, terwijl hij later zei er “13” nodig te hebben. Het oordeel van de rechtbank

 Gedeeltelijke vrijspraak

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte in de ten laste gelegde periode cocaïne en amfetamine heeft verhandeld dan wel in zijn bezit heeft gehad. Dit leidt tevens tot vrijspraak van hetgeen onder het derde gedachtestreepje is tenlastegelegd, omdat daar de aanwezigheid van pillen bevattende amfetamine is tenlastegelegd. Verdachte zal conform het verzoek van het openbaar ministerie eveneens worden vrijgesproken van hetgeen hem onder het tweede gedachtestreepje is tenlastegelegd, omdat dit per abuis in de tenlastelegging is blijven staan, terwijl dit feit ook bij zaaksdossier 6 is tenlastegelegd.

 Bewezenverklaring

Vanaf 10 september 2022 heeft verdachte [accountnaam 3] gesprekken gevoerd via Exclu met het account [accountnaam 35] . Op die dag zei [accountnaam 35] tegen verdachte: “Maat 2500” en “voor jou nou M”. Verdachte reageerde hierop met “dank je wel maat”. Op 12 september 2022 vroeg verdachte aan [accountnaam 35] wat snoepjes van 250 gram bruto hem kostten. Op de vraag van [accountnaam 35] hoeveel hij er wilde, antwoordde verdachte dat hij eerst een monster moest hebben van 2.500 stuks die ze gingen uitdelen. [accountnaam 35] chatte dat hij wat liet maken. Op 20 september 2022 vroeg verdachte aan [accountnaam 35] of hij die 2.500 snoepjes nog voor hem kon maken, omdat hij die als monster moest hebben. [accountnaam 35] liet weten dat hij dit zou doorgeven, waarop verdachte nog stuurde: “250 bruto”. Een dag later, op 23 september 2022, vroeg [accountnaam 35] aan verdachte “of hij die kleintjes straks kan aanpakken”. Daarbij stuurde hij een foto van pillen met een apengezicht en op de achterzijde de initialen DK. Op de vraag van verdachte “250 bruto toch?”, antwoordde [accountnaam 35] : “ja. in 2500 stuks”. Uit de chats volgde verder dat zij elkaar die dag rond 13.45 uur hebben ontmoet bij de grote P van een Jumbo. Later op die dag stuurde verdachte naar [accountnaam 35] : “Deze is niet vd foto wat je hebt gestuurd zijn andere …”. [accountnaam 35] reageerde hierop met: “zijn die in blauw, 250 worden ze dikker” en “zijn ook dk”.

In deze chatberichten worden diverse termen/afkortingen gebruikt, waar in het dossier door de politie een uitleg aan is gegeven. Zoals eerder in dit vonnis al is overwogen, is deze uitleg afkomstig van het Cluster Synthetische Drugs van de Landelijke Recherche en sluit de rechtbank zich bij die uitleg aan. Dit houdt concreet in dat “M” de afkorting is van MDMA, dat “snoepjes” straattaal is voor XTC-pillen en dat “DK” staat voor Donkey Kong, een soort c.q. afbeelding op een XTC-pil. Deze duiding is ook in lijn met wat de rechtbank ambtshalve bekend is uit andere strafzaken.

In de chats wordt in de eerste plaats gesproken over “M”, MDMA. Dit is de werkzame stof in XTC-pillen. Vervolgens heeft verdachte aan [accountnaam 35] de opdracht gegeven om 2.500 snoepjes, XTC-pillen, te laten maken. De rechtbank leidt hieruit af dat [accountnaam 35] 2.500 XTC-pillen (met de afkorting “DK”) met daarin de werkzame (en strafbare) stof MDMA voor verdachte heeft gemaakt en aan verdachte heeft overgedragen op 23 september 2022. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte op 23 september 2022 2.500 pillen/tabletten (van een materiaal bevattende) MDMA aanwezig heeft gehad.

De rechtbank volgt het verweer van de verdediging, dat niet duidelijk is wat verdachte zou krijgen, dat met snoepjes mogelijk heel iets anders dan XTC-pillen werd bedoeld en dat op grond van de chats niet blijkt dat de geleverde pillen daadwerkelijk MDMA bevatten, niet. Zoals hiervoor omschreven volgt uit de chats, in combinatie met de door de politie gegeven (en door de rechtbank overgenomen) uitleg over de gebruikte termen, onmiskenbaar dat het daarin gaat over XTC-pillen die MDMA bevatten. Op 10 september 2022 wordt immers over M, zijnde MDMA, gesproken. Verdachte heeft zelf niets verklaard over de betekenis en context van de chatberichten, maar een beroep gedaan op zijn zwijgrecht. Bij gebrek aan een aannemelijke alternatieve uitleg door verdachte, ziet de rechtbank dan ook geen reden om een andere betekenis toe te kennen aan de chatberichten dan door de politie is gedaan. Verder slaagt het verweer van de verdediging dat niet voldaan is aan het bewijsminimum, omdat alleen sprake is van chatberichten, niet. Hiervoor verwijst de rechtbank naar hetgeen daarover bij de algemene bewijsoverwegingen is overwogen.

 Zaaksdossier 6

De verdenking Op basis van de in zaaksdossier 6 aanwezige chatberichten is de verdenking gerezen dat [verdachte] zich heeft beziggehouden met voorbereidingshandelingen ten behoeve van de aankoop van MDMA.

Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft allereerst gesteld dat niet voldaan is aan het vereiste bewijsminimum, zodat vrijspraak moet volgen. Subsidiair is gesteld dat niet bewezen kan worden dat de chatberichten over MDMA gaan. Op basis van twee foto’s van brokken kan niet worden vastgesteld dat het om MDMA gaat. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat voorafgaand aan die foto’s een versleuteld bericht is verstuurd, waarvan de inhoud niet bekend is. Ook wordt in de chats over andere (verboden) middelen gesproken. Verder kan niet bewezen worden om wat voor hoeveelheid het gaat, aldus de verdediging. Nergens wordt gesproken over kilo’s, zodat 30 kilo, zoals ten laste is gelegd, niet bewezen kan worden.

Het oordeel van de rechtbank De rechtbank komt op grond van de in de bewijsmiddelenbijlage opgenomen redengevende feiten en omstandigheden tot een bewezenverklaring van hetgeen aan verdachte onder feit 1 inzake 71.192672.23 is tenlastegelegd.

De rechtbank heeft aan haar oordeel verder het volgende ten grondslag gelegd.

Op 9 november 2022 vroeg verdachte via Exclu aan het account [gebruiksersnaam] : “wat kost mij de m nu bij jou maat?” [gebruiksersnaam] reageerde hierop met: “2200”. Op 15 november 2022 zei verdachte tegen [gebruiksersnaam] : “Ik moet mijn mensen helpen anders lopen ze weg” en “deze willen ook de M bij mij pakke”. Hierop liet [gebruiksersnaam] weten: “Kunt voor 2 bij mij pakke nou”. Verdachte meldde dat hij het [gebruiksersnaam] zou laten weten als het zover is. Een dag later, op 16 november 2022, stuurde verdachte aan [gebruiksersnaam] : “Maatje stuur mij ff foto vd m. ik weet dat het goed is maar is voor een nwe klant”. [gebruiksersnaam] stuurde daarop twee foto’s waarop brokken/kristallen te zien waren. Verdachte vroeg of er daar 30 van waren, waarop [gebruiksersnaam] reageerde met: “volgende week zo wie zo volop”. Op 20 november 2022 vroeg [gebruiksersnaam] aan verdachte: “Moet je nog m maat” waarop verdachte reageerde met: “Ja maat 30 stuks. Klant komt morgen of dinsdag”. [gebruiksersnaam] vroeg daarna: “M woensdag jij?” en verdachte reageerde daarop met: “Ja hangt ervan af wanneer klant komt”. Ook vroeg hij of de prijs voor hem nog steeds 24 was, waarop [gebruiksersnaam] liet weten dat het voor hem minder was, 23.

Uit deze berichten volgt naar het oordeel van de rechtbank zonder meer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen ten behoeve van de aankoop van MDMA. In de chats wordt veelvuldig over “M” gesproken en dat staat, zoals hiervoor al is overwogen, voor MDMA. Verdachte heeft zelf niets verklaard over de betekenis en context van de chatberichten, maar een beroep gedaan op zijn zwijgrecht. Bij gebrek aan een aannemelijke alternatieve uitleg door verdachte, ziet de rechtbank geen enkele reden om een andere betekenis toe te kennen aan de afkorting M in de chatberichten. Dat verdachte en [gebruiksersnaam] tussen de betreffende chatberichten door ook gesproken hebben over andere (verboden) middelen, maakt niet dat uit de chats niet kan worden afgeleid dat verdachte bij [gebruiksersnaam] heeft geïnformeerd naar de prijs en kwaliteit van MDMA en kenbaar heeft gemaakt dat hij daar 30 stuks van nodig heeft voor een nieuwe klant. De op verzoek van verdachte door [gebruiksersnaam] verstuurde foto’s van kristallen wijzen er bovendien juist op dat het om MDMA ging.

De rechtbank volgt de officieren van justitie niet in hun standpunt dat met 30 stuks in dit geval 30 kilo is bedoeld. Dit kan op geen enkele wijze uit de chatberichten en de verstuurde foto’s worden afgeleid. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen ten behoeve van de aankoop van 30 stuks MDMA.

Wat betreft de stelling van de verdediging dat verdachte moet worden vrijgesproken, omdat uitsluitend sprake is van chatberichten en steunbewijs ontbreekt, verwijst de rechtbank naar hetgeen eerder in dit vonnis is overwogen over het bewijsminimum bij de algemene overwegingen en in het bijzonder wijst de rechtbank er in dit geval op dat de berichten in dit geval nog eens zijn ondersteund met verstuurde en ontvangen afbeeldingen van brokken die overeenkomen met foto’s van brokken MDMA die de rechtbank uit andere Opiumwetzaken kent.

 Zaaksdossier 8

De verdenking

In dit zaaksdossier zijn de onderzoeksbevindingen neergelegd die hebben geleid tot de verdenking dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 8] , [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] in de periode van 8 september 2022 t/m 14 januari 2023 in Nederland en/of België zich schuldig hebben gemaakt aan – kort gezegd – het deelnemen aan een criminele drugsorganisatie.

Het standpunt van de verdediging

Door meerdere raadslieden is bepleit dat het bewijs van een samenwerkingsverband tussen de verdachten met een zekere duurzaamheid en structuur tekortschiet. Mocht de rechtbank oordelen dat de verdachten zich hebben ingelaten in de drugshandel, dan wijst het bewijs erop dat bij het plegen van die feiten telkens min of meer ad hoc door één of meer personen werd samengewerkt dan dat het ging om een duurzame en gestructureerde samenwerking met als gemeenschappelijke doelstelling het plegen van Opiumwetdelicten.

Het oordeel van de rechtbank

Van een organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en artikel 11b van de Opiumwet is sprake als het gaat om een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen ten minste twee personen. Van deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr en 11b van de Opiumwet kan slechts sprake zijn als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in artikel 11b van de Opiumwet bedoelde oogmerk. Daarbij geldt dat de verdachte in zijn algemeenheid moet weten (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van (Opiumwet)misdrijven. De verdachte hoeft geen wetenschap te hebben van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd. Om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt is niet vereist dat daarbij komt vast te staan dat de verdachte moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling binnen het samenwerkingsverband steeds dezelfde is geweest.

De rechtbank is allereerst van oordeel dat op grond van de geselecteerde bewijsmiddelen sprake is geweest van een duurzaam samenwerkingsverband tussen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 8] . Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

Uit meerdere chatberichten in het procesdossier kan worden afgeleid dat [medeverdachte 4] diverse bestellingen van cocaïne opnam, het geld daarvoor inde, en samen met [medeverdachte 8] de boekhouding daarvan bijhield. Verder werd in de woning van de ouders van [medeverdachte 4] een verborgen stashlocatie met een contant geldbedrag van € 31.500,00 aangetroffen, en bij die woning een auto met een professioneel ingebouwde verborgen stashruimte. Uit de chatberichten blijkt verder dat [medeverdachte 8] zowel de voorraad cocaïne als het ontvangen geld beheerde, de voorraadlijsten en boekhouding bijhield en [medeverdachte 4] daarvan steeds op de hoogte hield.

Op grond van de onderschepte chatberichten die [medeverdachte 4] en [medeverdachte 8] hebben verstuurd via Exclu stelt de rechtbank vast dat zij gedurende een langere periode op deze wijze hebben samengewerkt. De berichten dateren van de periode van 8 september 2022 tot en met 5 februari 2023. Dat is de periode tot wanneer het voor het opsporingsteam mogelijk was de chatberichten terug te lezen tot de datum van de zogeheten klapdag.

Uit de bewijsmiddelen blijkt tot slot dat deze organisatie zich bezighield met criminele activiteiten met betrekking tot verdovende middelen, waaronder de handel in cocaïne. Het oogmerk van dit samenwerkingsverband was dus gericht op het plegen van dit soort misdrijven.

Op grond van het bovenstaande is bewezen dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 8] hebben deelgenomen aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr en artikel 11b van de Opiumwet.

Datzelfde geldt echter niet voor de overige verdachten. Het strafdossier bevat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om daarop de conclusie te baseren dat daadwerkelijk sprake is geweest van een samenwerkingsverband tussen de overige verdachten met een zekere duurzaamheid en structuur. Veel meer wijzen de bewijsmiddelen erop dat bij het plegen van de aan hen tenlastegelegde drugsdelicten telkens min of meer ad hoc door één of meer personen werd samengewerkt dan dat het ging om een duurzame en gestructureerde samenwerking met als gemeenschappelijke doelstelling het plegen van Opiumwetdelicten.

Zo heeft [verdachte] aan [medeverdachte 2] een klein brokje als voorbeeld voor een klant gevraagd met het oog op een langdurige samenwerking met die klant, die overigens niet van de grond is gekomen. Dit zegt nog niet dat dit in het kader van een criminele samenwerking met de in de tenlastelegging genoemde personen is gedaan.

Uit de berichten van [medeverdachte 2] valt verder weliswaar af te leiden dat hij enkele bestellingen voor cocaïne bij [medeverdachte 4] heeft gedaan, maar niet dat zijn rol daarin verder is gegaan dan die van medepleger (in zaaksdossier 1 en 2) door cocaïne af te (willen) nemen. Nergens blijkt dat hij de afgenomen cocaïne verder heeft bewerkt en/of heeft doorverkocht voor of in samenwerking met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 8] of de overige in de tenlastelegging genoemde personen. Uit het dossier blijkt dus niet dat hij binnen dat samenwerkingsverband heeft gehandeld of op andere wijze daarvan deel heeft uitgemaakt.

Datzelfde geldt voor [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] . Uit de berichten valt op te maken dat zij (in zaaksdossier 1 en 2) cocaïne hebben besteld bij en afgenomen van [medeverdachte 4] , maar niet dat zij dat in het kader van het criminele samenwerkingsverband hebben gedaan.

De enkele omstandigheid dat [medeverdachte 7] ten behoeve van [medeverdachte 5] geldbedragen heeft vervoerd naar [medeverdachte 4] is eveneens onvoldoende om daarop de conclusie te baseren dat hij deel heeft uitgemaakt van een crimineel samenwerkingsverband.

Uit de berichten die [medeverdachte 1] heeft gewisseld met [persoon 1] en [accountnaam 36] valt niet op te maken dat die zien op samenwerking binnen het tenlastegelegde samenwerkingsverband. Deze personen worden niet in de tenlastelegging genoemd. Bovendien geeft [medeverdachte 1] aan [persoon 1] aan dat hij weer klein wil beginnen en opbouwen, alleen henzelf, hetgeen juist een contra-indicatie oplevert voor deelname aan het tenlastegelegde criminele samenwerkingsverband. Wat betreft de bestellingen die [medeverdachte 2] voor hem gedaan heeft in zaaksdossier 1 is niet is gebleken dat die zijn gedaan binnen de tenlastegelegde criminele organisatie.

Ten aanzien van [medeverdachte 3] geldt dat hij weliswaar een langere periode heeft gefungeerd als tussenpersoon tussen [medeverdachte 4] en anderen, maar die anderen maken geen deel uit van het hier tenlastegelegde criminele samenwerkingverband.

Tot slot overweegt de rechtbank dat van de ontmoetingen die verschillende verdachten in diverse restaurants met elkaar hebben gehad niet gebleken is dat die een crimineel karakter hebben gehad of dat die hebben plaatsgevonden in het kader van de criminele organisatie. Alleen van de samenkomst van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] in de zaak van [medeverdachte 2] op 17 december 2022 is dat anders geweest, maar niet kan worden vastgesteld dat die ontmoeting heeft plaatsgevonden in verband met de tenlastegelegde criminele organisatie.

De omstandigheid dat een aantal verdachten in een eerdere zaak zijn veroordeeld voor overtreding van artikel 140 Sr acht de rechtbank evenmin redengevend voor het bewijs in deze zaak. Bovendien zijn die veroordelingen niet onherroepelijk. Het gebruik van cryptocommunicatie door verdachten draagt ook niet bij tot bewijs van deelname aan de tenlastegelegde criminele organisatie, omdat dit gebruik net zo goed buiten dit samenwerkingsverband heeft kunnen plaatsvinden.

Het voorgaande betekent dat niet is bewezen dat [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] hebben deelgenomen aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr en artikel 11b van de Opiumwet en dat deze verdachten van het ten laste gelegde zullen worden vrijgesproken.

 Zaaksdossier 9

De verdenking

Aan alle verdachten is samengevat tenlastegelegd dat zij in de periode van 8 september 2022 tot en met 3 februari 2023 in Nederland en/of in België zich schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van de voorzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing van 13 november 2020 verboden is verklaard, te weten [motorclub 1] (Motorcycleclub).

Het standpunt van de verdediging

Het standpunt van de verdediging komt er samengevat op neer dat verdachten moeten worden vrijgesproken, omdat zij geen voortzettingshandelingen hebben verricht. Subsidiair beroepen zij zich op afwezigheid van alle schuld. Op deze verweren zal de rechtbank hieronder nader ingaan.

Het oordeel van de rechtbank

Wettelijk kader en jurisprudentie

Het openbaar ministerie kan op grond van artikel 2:20 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) de rechter verzoeken een rechtspersoon, zoals een (informele) vereniging of stichting, te verbieden en te ontbinden, als de werkzaamheid daarvan in strijd is met de openbare orde. Na een dergelijk verbod is de voortzetting van de werkzaamheid van zo’n rechtspersoon (organisatie) strafbaar (artikel 140, tweede lid, Sr).

In het licht van de wetsgeschiedenis van het sinds 1 januari 2022 geldende artikel 140, tweede lid, Sr - waarmee de wetgever een verduidelijking heeft willen geven van wat onder het delictsbestanddeel “voortzetting van de werkzaamheid” in de zin van artikel 140, tweede lid, (oud) Sr moet worden verstaan - komt aan dat bestanddeel een ruime uitleg toe, waarbij het gaat om “iedere gedraging die ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie” (vgl. HR 5 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1612). Het staat ook andere rechtspersonen op grond van artikel 140, tweede lid, Sr niet vrij om de werkzaamheid van een verboden rechtspersoon voort te zetten (vgl. HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797). Nagegaan moet worden of de gedraging of gedragingen van de verdachte ten dienste staat/staan aan het voortbestaan van de verboden organisatie (vgl. HR 14 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:28).

Deze zaak

Bij de beoordeling van deze zaak gaat de rechtbank uit van de navolgende feiten.

 Organisatiestructuur van [motorclub 1]

De structuur van [motorclub 1] is als volgt. [motorclub 1] heeft een eigen, landelijke leidinggevende/adviserende groep genaamd de " [groepsnaam 1] ". Hierin zitten de functies "Malessy, Kapikane en Nomad". De [groepsnaam 1] adviseren en sturen de chapters in Nederland aan. De Malessy zijn de oorspronkelijke oprichters van [motorclub 1] . De Kapikanes zijn "eerste strijder/vooraanstaand lid” en de Nomads zijn de leden die tussen de [groepsnaam 1] en de clubs inzitten, opdrachten uitvoeren en verantwoordelijk kunnen zijn voor bepaalde zaken en chapters.

De verdachten in deze zaak hebben de navolgende rangen binnen [motorclub 1] . [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] zijn Malessy, [verdachte] en [medeverdachte 2] zijn Kapikanes , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] zijn Nomads en [medeverdachte 8] en [medeverdachte 7] hebben de rang “full members”.

Naast de rangen zijn er verschillende "taken" binnen [motorclub 1] , onder andere:

Sergeant-at-Arms, Road-Captain en Secretary. De Sergeant-at-Arms zorgt ervoor dat de regels, die bepaald zijn door het kader, op een vlotte manier gekend zijn en worden nageleefd. De Road-Captain is verantwoordelijk voor het plannen en organiseren van de motortochten en de Secretary is verantwoordelijk voor de administratie van de club.

Het kader, de hoogste instantie binnen [motorclub 1] , zoals hierboven voornoemd, bestaat uit de

President, Vice President, Sergeant-at-Arms, Secretary, Treasurer en Road-Captain.

 Uiterlijke kenmerken

Binnen [motorclub 1] gelden er diverse geschreven en ongeschreven regels, zoals het gebruik van de clubkleuren, de zogenoemde colors. Op deze wijze maken zij zichzelf bekend bij hun medeleden en onderscheiden zij zich van rivaliserende " [motorclub 7] ". Zo gebruikt [motorclub 1] de kleuren zwart -geel. Supportclubs van [motorclub 1] maken gebruik van dezelfde kleurstelling als de club die zij supporten, echter gebruiken zij de kleurstelling geel- zwart , het omgekeerde van de gebruikte kleurstelling van "moederclub" [motorclub 1] . Naast de ongeschreven regels voor het gebruik van de clubkleuren, is het lettertype van [motorclub 1] een formeel en geregistreerd trademark. Leden van [motorclub 1] dragen de zogeheten club colors op een vest. Die colors bestaan onder andere uit een "three piece backpatch". Dat "three piece backpatch" wordt gedragen op de rug en bestaat uit de naam [motorclub 1] (toprocker), daaronder het [motorclub 1] logo en daaronder (bottomrocker) de naam van het chapter, het land of de regio waar het chapter is gevestigd. Bij [motorclub 1] kan op de bottomrocker ook de herkomst van de drager worden weergegeven.

 Verbodenverklaring van [motorclub 1]

Bij beschikking van 18 juni 2018 heeft de rechtbank Den Haag [motorclub 1] verboden verklaard en met onmiddellijke ingang ontbonden. De rechtbank heeft beslist dat deze verbodenverklaring en ontbinding tevens de chapters en twee zelfstandige support clubs omvat. De rechtbank heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:

2.20 (…) Leden van [motorclub 1] maken al gedurende een reeks van jaren inbreuk op deze voor de Nederlandse samenleving fundamentele waarden. Deze veelvuldige en voortdurende inbreuken op de openbare orde ontwrichten de samenleving of kunnen de samenleving ontwrichten.

2.23 Het verzoekschrift van het OM bevat voorbeelden die de conclusie rechtvaardigen dat het bestuur van [motorclub 1] zelf leiding geeft aan het strafbare handelen van leden in strijd met de openbare orde. (…)

2.24 Ten aanzien van het leiding geven aan strafbare feiten is voorts van belang dat in het
verzoekschrift gemotiveerd wordt gesteld dat binnen [motorclub 1] een streng hiërarchisch klimaat heerst. Verwezen wordt onder meer naar de toelatingsprocedure, waarbij personen die de status van full-member nog niet hebben, zich ondergeschikt moeten gedragen ten opzichte van degenen die deze status wel hebben.

2.28 Mede gelet op de hiërarchische structuur kunnen de in de r.o. 2.17 en 2.18 hierboven omschreven regels inzake bad standing en de zwijgplicht aan het bestuur van [motorclub 1] worden toegerekend.

2.30 In het verzoekschrift wordt gemotiveerd gesteld dat binnen [motorclub 1] een cultuur heerst waarbij het plegen van strafbare feiten wordt gestimuleerd (…) Ook wijst het OM op de gang van zaken rond de "1%-patch". Dat niet exact bekend is voor welk gedrag de 1%-patch is uitgereikt doet verder ook niet ter zake. Waar het om gaat is dat door de gebruikte bewoordingen bewust een sfeer wordt gecreëerd waarin agressie en hardhandig optreden gestimuleerd worden.

2.31 Uit de voorgaande paragraaf blijkt dat [motorclub 1] , als organisatie, de voorwaarden schept voor een klimaat waarin voor leden de drempel tot het plegen van strafbare feiten wordt verlaagd. De cultuur binnen de vereniging, zoals deze (mede) door bestuurders c.q. leidinggevenden van de vereniging door middel van eigen gedragingen in het leven is geroepen en in stand wordt gehouden, draagt daar nadrukkelijk aan bij. (…) 2.33. De rechtbank komt tot de slotsom dat de eerder geconstateerde inbreuken op de openbare orde door leden van [motorclub 1] aan [motorclub 1] kunnen worden toegerekend in die zin dat geoordeeld moet worden dat de werkzaamheid van [motorclub 1] in strijd is met de openbare orde en sprake is van (dreigende) ontwrichting van de samenleving. Die conclusie wordt in het bijzonder gerechtvaardigd door, zo vat de rechtbank samen, de betrokkenheid bij strafbare gedragingen van bestuurders/leidinggevenden van [motorclub 1] , door deze zelf te begaan of hieraan leiding te geven, door het door bestuurders/leidinggevenden scheppen van een klimaat waarin het plegen van strafbare feiten als respectabel handelen in verenigingsverband wordt ervaren en aldus de drempel tot het plegen van strafbare feiten wordt verlaagd, alsmede door het plegen van strafbare feiten door leden van [motorclub 1] waarbij zij duidelijk het belang van [motorclub 1] beogen te dienen. (…)

De tekst gaat verder: De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken