Rb. Oost-Brabant 30 september 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:5535

Eiser heeft een vleesstierenbedrijf. Op 14 december 2017 heeft het dagelijks bestuur van het Waterschap De Dommel (verweerder) aan eiser een last onder dwangsom opgelegd in verband met geconstateerde overtredingen van artikel 6.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Waterwet. Dat besluit is onherroepelijk. In deze beroepszaak is de invordering van een dwangsom aan de orde naar aanleiding van op 26 en 30 april 2018 bij eisers vleesstierenbedrijf uitgevoerde controles, waarbij geconstateerd is dat de eerder opgelegde last onder dwangsom werd overtreden. In beroep tegen het door verweerder naar aanleiding daarvan genomen invorderingsbesluit heeft eiser meerdere beroepsgronden aangevoerd die in feite gericht zijn tegen het onherroepelijke dwangsombesluit. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen die gronden niet meer aan de orde zijn en is, anders dan eiser stelt, geen sprake van bijzondere omstandigheden als bedoeld in de conclusie van staatsraad advocaat-generaal Wattel van 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1152. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat eiser ten onrechte heeft aangevoerd dat hij de aan hem opgelegde last niet heeft overtreden, zodat verweerder bevoegd was tot invordering over te gaan. Ten slotte is de rechtbank niet gebleken dat eisers financiële situatie zodanig is dat hij de verbeurde dwangsom niet zou kunnen voldoen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken