Rb. Noord-Nederland 27 juli 2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:3256
Eiser heeft op 6 december 2018 zonnepanelen op het dak van zijn nieuwbouwwoning laten installeren. Eiser heeft met dagtekening 19 december 2018 een Opgaaf zonnepaneelhouders gedaan en is naar aanleiding daarvan uitgenodigd om aangifte omzetbelasting te doen over het aangiftetijdvak 6 tot en met 31 december 2018. Vervolgens heeft eiser met dagtekening 4 januari 2019 aangifte gedaan voor de omzetbelasting over hetzelfde tijdvak en daarbij verzocht om een teruggaaf van omzetbelasting. Bij beschikking van 22 februari 2019 heeft verweerder de teruggaaf verleend. Eiser heeft op 19 november 2019 een negatieve suppletie gedaan voor de omzetbelasting voor het gehele 4e kwartaal 2018 en daarbij verzocht om een (aanvullende) teruggaaf van omzetbelasting. Dit verzoek zag op de omzetbelasting die drukt op de kosten van de bouw van de nieuwbouwwoning. Verweerder heeft de negatieve suppletie aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de teruggaafbeschikking van 22 februari 2019. Verweerder heeft dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard vanwege termijnoverschrijding. De rechtbank is van oordeel dat de negatieve suppletie niet had moeten worden opgevat als bezwaar tegen de initiële beslissing op het verzoek om teruggaaf van 22 februari 2019, maar als een (aanvullend) verzoek om teruggaaf over het gehele 4e kwartaal van 2018. Op dat verzoek had vervolgens, op grond van artikel 31, achtste lid, van de Wet op de omzetbelasting bij voor bezwaar vatbare beschikking moeten worden beslist. De uitspraak op bezwaar moet uit het rechtsuniversum verdwijnen.
De uitspraak op rechtspraak.nl