Rb. Noord-Nederland 29 juli 2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:3239

CO2-uitstoot als maatstaf van heffing voor de BPM. Overgang naar WLTP-testmethode en restantvoorraadregeling. Is de BPM-heffing op basis van de CO2-uitstoot conform het NEDC2-resultaat in strijd met artikel 110 VWEU omdat die BPM-druk hoger is in vergelijking met andere, gelijksoortige auto’s waarvan de BPM is vastgesteld op basis van het NEDC1-resultaat? Toetsingskader bij de invoer van gebruikte auto’s: is de geheven BPM hoger dan het laagste restbedrag aan BPM op gelijksoortige, al in Nederland geregistreerde auto’s? Beoordeling gelijksoortigheid referentie-auto’s. Ten aanzien van 2 auto’s bewijst eiseres dat er ten tijde van de registratie al gelijksoortige auto’s in Nederland waren geregistreerd met een lagere, op basis van NEDC1 vastgestelde CO2-uitstoot. Daaruit volgt dat de geheven BPM in strijd met artikel 110 VWEU hoger is geweest dan het laagste bedrag aan rest-BPM dat is vervat in de waarde van die gelijksoortige auto’s. Dat eiseres in deze 2 gevallen een lagere CO2-uitstoot in aanmerking mag nemen, is de consequentie van (1) het voorgeschreven beoordelingskader bij de invoer van auto’s uit andere lidstaten en (2) de omstandigheid dat Nederland BPM heft aan de hand van de CO2-uitstoot. Uitlatingen van de Staatssecretaris van Financiën dat de invoering van de WLTO-testmethode niet zou leiden tot een hogere belastingdruk wekken geen gerechtvaardigd vertrouwen, omdat deze uitlatingen zijn gedaan in zijn hoedanigheid van medewetgever.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken