Rb. Noord-Nederland 15 oktober 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:3495
In geschil is het antwoord op de vraag of de bedragen van de premie volksverzekeringen door verweerder juist zijn vastgesteld voor de jaren 2010, 2011 en 2012. Op grond van de toepasselijke aanwijsregels van het Rijnvarendenverdrag en de Rijnvarendenovereenkomst is op eiser de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing. De rechtbank oordeelt dat uit het arrest de Hoge Raad van 10 juli 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1235) volgt dat verweerder artikel 16 van Vo 883/2004, en het daarmee verband houdende procedurevoorschrift van artikel 18 van Vo 987/2009, niet hoeft te betrekken bij het vaststellen van de verzekerings- en premieplicht. Hetzelfde geldt voor artikel 13, eerste lid, van het Rijnvarendenverdrag (voor de periode voor 1 mei 2010). De rechtbank oordeelt dat verweerder artikel 16 van Vo 883/2004 (regularisatie) niet hoeft toe te passen. Hij is daar ook niet toe bevoegd. Hetzelfde geldt voor artikel 13, eerste lid, van het Rijnvarendenverdrag (voor de periode voor 1 mei 2010). De rechtbank oordeelt dat aan artikel 16 van Vo 987/2009 in eisers geval geen betekening toekomt omdat dit artikel niet ziet op toepassing van de aanwijsregels uit de op eiser van toepassing zijnde Rijnvarendenovereenkomst (periode vanaf 1 mei 2010). Voor de periode voor 1 mei 2010 oordeelt de rechtbank dat toepassing van artikel 86 van het Rijnvarendenverdrag niet via de belastingrechter afgedwongen kan worden. Uit voorgaande oordelen volgt dat verweerder van eiser terecht premie voor de Nederlandse volksverzekeringen heeft geheven. Eiser heeft vervolgens gesteld dat de door zijn Luxemburgse werkgever ingehouden premies als voorheffing verrekend moeten worden met de Nederlandse premieheffing of dat deze premies in aftrek moeten worden gebracht op grond van artikel 3.16 van de Wet IB. De rechtbank oordeelt alleen Nederlandse premies volksverzekeringen voor verrekening in aanmerking komen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn Luxemburgse werkgever premies voor de Nederlandse volksverzekeringen heeft ingehouden. Artikel 3.16 ziet op de bepaling van de fiscale winst. Er is geen grond om dit artikel ook toe te passen ter bepaling van het belastbaar loon. Er is geen grond voor verrekening van de door de Luxemburgse werkgever ingehouden premies. De beroepen van eiser zijn ongegrond. Eiser krijgt geen immateriële schadevergoeding. De rechtbank oordeelt dat de instemming van gemachtigde van eiser met uitstel voor het doen van de uitspraak op bezwaar – in samenhang bezien met de door verweerder aangevoerde omstandigheden – sprake is van een bijzondere omstandigheid op grond waarvan de redelijke termijn wordt verlengd. Door de verlenging is de redelijke termijn voor geschilbeslechting niet overschreden.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 9 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1574
- HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1150
- HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1235
- HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1237
- Hof 's-Hertogenbosch 7 mei 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1472
- Conclusie A-G Wattel 7 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:499
- Conclusie A-G Wattel 7 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:511
- Hof 's-Hertogenbosch 21 december 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:5843
- Hof 's-Hertogenbosch 21 december 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:5848
- Hof Arnhem-Leeuwarden 15 augustus 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:6785
- HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252
- Hof 's-Hertogenbosch 7 februari 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:248