Rb. Noord-Holland 21 december 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:12429

Eiseres heeft een “Services Agreement” gesloten met bedrijf 1 respectievelijk bedrijf 2, waarin is opgenomen dat eiseres diensten verricht aan bedrijf 1 respectievelijk bedrijf 2 en zij hiervoor een vergoeding ontvangt. Verweerder heeft aan eiseres naheffingsaanslagen, rente- en boetebeschikkingen opgelegd voor de jaren 2016, 2017 en 2018. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de naheffingsaanslagen terecht aan eiseres opgelegd. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiseres prestaties heeft verricht aan bedrijf 1 en bedrijf 2 in de periode 1 februari 2016 tot en met 31 maart 2018 en dat dit eind 2015 helder was overeengekomen wie welke prestaties zou verrichten en tegen welke vergoeding. Dat de economische realiteit afwijkt van de overeenkomsten, met als gevolg dat ook voor de omzetbelasting daarvan moet worden afgeweken, is onvoldoende onderbouwd. Het standpunt van eiseres dat de omzetbelasting pas in het derde kwartaal 2018 verschuldigd is geworden, omdat pas toen de facturen zijn uitgereikt, faalt, aangezien vaststaat dat eiseres de prestaties heeft verricht in de periode vanaf 1 februari 2016 tot en met 31 maart 2018 en eiseres dus, gelet op de gesloten overeenkomsten en wettelijke bepalingen, ten onrechte pas in het derde kwartaal van 2018 de facturen heeft uitgereikt. Ook de standpunten van eiseres dat de naheffingsaanslagen ten onrechte zijn opgelegd, omdat de vergoedingen die eiseres heeft ontvangen lager zijn, sprake is van een fiscale eenheid tussen eiseres, bedrijf 1 en bedrijf 2 respectievelijk dat het neutraliteitsbeginsel geschonden, slagen niet. Verder ziet de rechtbank geen aanleiding de rentebeschikkingen ter zake van de jaren 2016 en 2018 te verminderen wegens te trage besluitvorming dan wel anderszins wegens strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het is de plicht van eiseres om de omzetbelasting af te dragen. Het had dan ook op de weg van eiseres gelegen eerder de verschuldigde omzetbelasting met verweerder te bespreken en deze ook aan te geven in haar (dan wel eiseres haar) reguliere aangiften omzetbelasting. Het aftrekrecht van bedrijf 1 en bedrijf 2 en ook van de mogelijkheid om de vorderingen te cederen aan eiseres staat hier los van, alsook is het de rechtbank niet gebleken dat verweerder een toezegging heeft gedaan dat geen belastingrente zou worden berekend, dan wel dat de omzetbelastingheffing bij eiseres in hetzelfde tijdvak zou plaatsvinden als de aftrek bij bedrijf 1 en bedrijf 2. Voor het jaar 2017 volgt de rechtbank niet het standpunt van verweerder dat (alsnog) belastingrente verschuldigd zijn. Verweerder heeft ten onrechte twee keer uitspraak op bezwaar gedaan, waarbij naar het oordeel van de rechtbank enkel het stuk van 2 augustus 2019 als uitspraak op bezwaar aangemerkt kan worden. Omdat deze uitspraak kennelijk luidt dat de omzetbelasting en boete zijn gehandhaafd en de rente tot nihil zijn verminderd is het rechtsgevolg dan ook dat de rente over 2017 nihil bedraagt. Verder kan naar het oordeel van de rechtbank niet gesproken worden van een kenbare fout, zoals verweerder stelt, en slaagt het standpunt van verweerder, dat de uitspraak van 2 augustus 2019 geen betrekking heeft op de rente, niet, nu de rentebedragen in dat stuk expliciet zijn vermeld. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de verzuimboetes terecht aan eiseres zijn opgelegd, omdat eiseres de omzetbelasting ten onrechte niet op aangifte heeft voldaan. Voorts heeft eiseres haar standpunten dat haar geen schuld te verwijten valt en dat sprake is van een pleitbaar standpunt onvoldoende onderbouwd. Wel bestaat er aanleiding om de verzuimboetes te matigen gelet op de te lange doorlooptijd sedert de aankondiging van de boetes.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken