Art. 13 Wet OB, Heffing ter zake van leveringen en diensten
Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB)
1. De belasting wordt verschuldigd:
a. in gevallen waarin ingevolge de artikelen 34b tot en met 35 een factuur moet worden uitgereikt, op het tijdstip van de uitreiking of, indien deze niet tijdig plaatsvindt, het tijdstip waarop zij uiterlijk had moeten geschieden tenzij sprake is van een dienst waarover de belasting op grond van artikel 12, tweede lid, verschuldigd is door de afnemer van deze dienst, in welk geval de belasting verschuldigd wordt op het tijdstip waarop de dienst wordt verricht;
b. in andere gevallen op het tijdstip waarop de levering of de dienst wordt verricht.
2. In afwijking in zover van het eerste lid wordt de belasting of het desbetreffende gedeelte daarvan uiterlijk verschuldigd op het tijdstip waarop de vergoeding geheel of gedeeltelijk wordt ontvangen.
3. Bij een levering of overbrenging voor bedrijfsdoeleinden van goederen met toepassing van de bij deze wet behorende tabel II, onderdeel a, post 6, wordt de belasting, in afwijking van het eerste en tweede lid, verschuldigd op het tijdstip van uitreiking van de factuur, of op het tijdstip van het verstrijken van de in artikel 34g, eerste volzin, bedoelde termijn indien er vóór die datum geen factuur is uitgereikt.
4. In afwijking in zoverre van het eerste lid, onderdeel b, wordt de belasting ter zake van diensten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, verschuldigd op de laatste dag van het boekjaar waarin die diensten worden verricht. Diensten die op die dag nog niet zijn voltooid, worden geacht op die dag te zijn voltooid voorzover zij betrekking hebben op dat boekjaar. Indien het boekjaar langer is dan een jaar wordt de belasting verschuldigd op de laatste dag van het kalenderjaar waarin de diensten worden verricht met overeenkomstige toepassing van de tweede volzin.
5. Voor de toepassing van het eerste lid worden de diensten waarvan de belasting op grond van artikel 12, tweede lid, verschuldigd is door de afnemer van deze diensten en die doorlopend worden verricht gedurende een periode langer dan één jaar geacht bij de afloop van elk kalenderjaar te zijn voltooid zolang de dienstverrichting doorloopt en die geen aanleiding geven tot afrekeningen of betalingen in die periode.
6. De goederenleveringen die doorlopend worden verricht gedurende een periode langer dan een kalendermaand, waarbij de goederen onder de voorwaarden van de bij deze wet behorende tabel II, onderdeel a, post 6, worden vervoerd naar een andere lidstaat, worden geacht bij de afloop van elke kalendermaand te zijn voltooid zolang de goederenlevering doorloopt.
7. Goederenleveringen en diensten, andere dan die bedoeld in het vierde, vijfde en zesde lid, die gedurende een zekere periode doorlopend worden verricht, worden geacht ten minste eenmaal per jaar te zijn voltooid.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 31 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7933
- Rb. Overijssel 27 december 2021, ECLI:NL:RBOVE:2021:4857
- HR 28 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:335
- Hof Den Haag 31 juli 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2231
- Conclusie A-G VAN HILTEN 8 oktober 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BF0399
- HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1084
- HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4512
- HR 14 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6199
- Hof Den Haag 11 oktober 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:3041
- Hof Arnhem-Leeuwarden 7 februari 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:1041
- Hof Arnhem-Leeuwarden 24 december 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:11016
- Rb. Arnhem 9 augustus 2012, ECLI:NL:RBARN:2012:BX4172
- Conclusie A-G van Peursem 11 oktober 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1147
- Conclusie A-G Knigge 29 april 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BB8975
- Conclusie A-G De Wit 7 december 2007, ECLI:NL:PHR:2007:AW2321
- HR 12 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2149
- HR 4 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2407
- Hof 's-Hertogenbosch 16 februari 2005, ECLI:NL:GHSHE:2005:AT2491
- Hof Den Haag 9 december 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2412
- Hof Arnhem-Leeuwarden 3 november 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:9061