Rb. Noord-Holland 22 april 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:2846
Het geschil gaat over de vraag of verweerder bij het vaststellen van de navorderingsaanslag terecht het valutaresultaat tot de belastbare winst van eiseres heeft gerekend. Uit de rechtspraak over goed koopmansgebruik leidt de rechtbank de hoofdregel af dat een ontvangst dient te worden toegerekend aan het jaar waarin de aan die ontvangst ten grondslag liggende vordering tot het vermogen van de belastingplichtige gaat behoren (vgl. bijvoorbeeld HR 8 mei 1957, ECLI:NL:HR:1957:AY2274 en HR 24 mei 1967, ECLI:NL:HR:1967:AX6126). De rechtbank sluit voor de toerekening van deelnemingsdividenden bij die hoofdregel aan. Dat betekent dat de aandeelhouder een dividend in beginsel in aanmerking moet nemen op het moment dat zijn recht daarop ontstaat. Dat binnen het concern de intentie bestond om de onderhavige transacties uit te voeren en te verwerken met zo min mogelijk valutaresultaten is hier niet relevant, omdat nu eenmaal de juiste stappen om dat doel te verwezenlijken niet zijn genomen. Hetzelfde heeft te gelden voor de omstandigheid dat eiseres voor Amerikaanse fiscale doeleinden een disregarded entity is. Het beroep is ongegrond verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof Amsterdam 21 maart 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:1505
- HR 20 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3312
- HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1780
- HR 12 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5223
- HR 20 april 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3804
- HR 11 juli 1984, ECLI:NL:HR:1984:AW8465
- HR 20 april 1977, ECLI:NL:HR:1977:AX3560
- HR 24 mei 1967, ECLI:NL:HR:1967:AX6126
- HR 8 mei 1957, ECLI:NL:HR:1957:AY2274
- HR 23 februari 1955, ECLI:NL:HR:1955:AY2410