Rb. Midden-Nederland 9 juni 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:3539
Eiser heeft de Autoriteit Persoonsgegevens verzocht handhavend op te treden jegens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De rechtbank heeft prejudiciële vragen gesteld over de uitleg van het begrip ‘rechterlijke taak” in artikel 55, derde lid, van de AVG. Het Hof van Justitie heeft deze vragen bij arrest van 24 maart 2022 beantwoord. Uit het arrest volgt dat de in geschil zijnde gegevensverwerking behoort tot de uitoefening door een gerecht van zijn rechterlijke taak. De AP heeft zich dan ook terecht onbevoegd verklaard om van het verzoek om handhaving kennis te nemen. Al hetgeen eiser in zijn zienswijze nog naar voren heeft gebracht, zoals dat de Afdeling niet de verwerker is en dat hij ook om handhaving heeft verzocht van het niet melden van een datalek, kan hieraan niet afdoen. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt wel een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De uitspraak op rechtspraak.nl