Rb. Limburg 25 februari 2013, ECLI:NL:RBLIM:2013:BZ3301

De rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd en de daaraan gegeven uitleg door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in het arrest Schultz-Hoff en Stringer van 20 januari 2009 (C-350/06 en C-520/06, NJ 2009, 252). De kern hiervan is dat een ambtenaar, ook indien deze langdurig volledig arbeidsongeschikt is, ten minste vier weken (ofwel 152 uur) per kalenderjaar vakantie kan genieten met behoud van loon. Het betreft naar het oordeel van de rechtbank een minimumgarantie op verlof. Tot het bieden van meer dan het minimum bestaat dus geen verplichting. Alleen dat gedeelte van de minimumaanspraak dat de belanghebbende over een kalenderjaar niet daadwerkelijk heeft kunnen inzetten als vakantie kan worden opgeplust en overgeheveld naar het volgende kalenderjaar. Uit de Richtlijn en het arrest volgt niet dat onder de minimumaanspraak op vakantie niet begrepen mag worden het restantverlof van een vorig kalenderjaar. Het standpunt van verweerder dat het restantverlof van een vorig kalenderjaar meetelt bij de berekening van het minimaal te garanderen verlof van het daarop volgende jaar, komt de rechtbank dan ook niet onjuist voor.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen