CRvB 24 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW7452
Raad: De inhoudelijke kant van het geschil tussen partijen is beperkt tot het vakantieverlof over 2009 en betreft de beslissing van de commandant om 176 uur van het vakantieverlof van appellant af te boeken omdat hij van 11 maart 2009 tot 10 april 2009 vakantie heeft genoten. Appellant houdt vol dat tijdens ziekteverlof geen vakantieverlof mogelijk is als in art. 7 van de richtlijn bedoeld. De Raad volgt appellant niet in deze beroepsgrond. Hiervoor wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 18 juli 2011, LJN: BR0265. De Raad onderschrijft niet de stelling van appellant dat vakantieverlof en ziekteverlof niet kunnen samengaan. Deze stelling verdraagt zich immers niet met de punten 43 en 55 in het arrest Schultz-Hoff e.a. (arrest van het HvJEG van 20 januari 2009, C-350/06 en C-520/06, LJN: BH0693), waarin uitleg is gegeven aan art. 7, lid 1 van de richtlijn. De Raad wijst voorts op punt 31 van het arrest, waarin het Hof uitdrukkelijk heeft overwogen dat de richtlijn niet in de weg staat aan nationale bepalingen of gebruiken volgens welke een werknemer die met ziekteverlof is, zijn jaarlijkse vakantie met behoud van loon mag opnemen in een dergelijke periode. Ter zitting van de Raad is namens appellant nog naar voren gebracht dat hij in de periode van zijn vakantieverlof van 11 maart 2009 tot 10 april 2009 weliswaar voor familiebezoek in het buitenland heeft verbleven, maar dat hij wegens de ernst van zijn ziekte niet van het verlof heeft kunnen genieten. De Raad volgt appellant hierin niet. Voor de toepassing van art. 7, lid 1 van de richtlijn, zoals uitgelegd in het arrest, is voldoende dat appellant volgens de gedingstukken daadwerkelijk de mogelijkheid heeft gehad om van het hem door de richtlijn verleende recht van vakantie met behoud van loon gebruik te maken. Appellant heeft dit recht ook geëffectueerd. De wijze waarop hij het verlof vervolgens heeft ervaren, is hierbij geen factor van gewicht.
De uitspraak op rechtspraak.nl