Rb. Haarlem 5 september 2012, ECLI:NL:RBHAA:2012:BX7239
Meerderjarige dochter vordert met terugwerkende kracht onderhoudsbijdrage van vader. Op grond van 1:395a lid 1 BW is vader in beginsel verplicht te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie van zijn meerderjarige dochter die de leeftijd van een en twintig jaren niet heeft bereikt. Na het bereiken van de achttienjarige leeftijd hebben [dochter] en vader echter schriftelijk verklaard dat de bijdrage aan [dochter] wordt verminderd c.q. op nihil wordt gesteld. Overeenkomsten waarbij definitief van het volgens de wet verschuldigde levensonderhoud wordt afgezien zijn ingevolge artikel 1:400 lid 2 BW nietig, maar de onderhoudsgerechtigde en de onderhoudsplichtige kunnen wel rechtsgeldig overeenkomsten sluiten over de hoogte van de verschuldigde bijdrage en het staat de onderhoudsgerechtigde vrij af te zien van een (verdere) financiële bijdrage (zie HR 22 oktober 1999, LJN: AD3098). De door vader en dochter gesloten overeenkomsten zijn naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook rechtsgeldig gesloten. Dat bij het sluiten van de overeenkomsten sprake zou zijn van dwaling dan wel misbruik van omstandigheden is in dit kort geding onvoldoende aannemelijk geworden. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is de dochter dan ook gehouden aan de overeenkomsten waarin de onderhoudsbijdrage is verminderd c.q. stopgezet. Bij gebrek aan onderbouwing van de inkomsten van de dochter kan in dit kort geding bovendien niet vastgesteld worden dat zij in de betreffende periode daadwerkelijk behoefte had aan een onderhoudsbijdrage en wat de hoogte daarvan was. Ook in het geval de dochter niet aan de overeenkomsten zou zijn gebonden, zou het derhalve nog maar de vraag zijn of zij – gelet op haar inkomsten – recht zou hebben op een onderhoudsbijdrage.
De uitspraak op rechtspraak.nl