Rb. Gelderland 20 maart 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:7784

Mulder; verkeersboete; verzoek OM beroep niet-ontvankelijk te verklaren vanwege misbruik van recht, beroep zou evident kansloos zijn, het zou de gemachtigde alleen te doen zijn om het verkrijgen van een proceskostenvergoeding. Kantonrechter: beroep ontvankelijk, geen sprake van voldoende zwaarwichtige gronden om misbruik van recht aan te nemen, niet voldoende aanknopingspunten voor conclusie dat instellen beroep van meet af aan evident kansloos was en rechtsmiddel alleen is aangewend om proceskostenvergoeding te verkrijgen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

proces-verbaal/uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 11365599 \ BR VERZ 24-3003 \ 65489

cjib-nr / registratienr 260391605 / 0163PQ

zitting van 20 maart 2026

beslissing inzake Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)

in de zaak van

[betrokkene]

wonende te [adres] [woonplaats]

betrokkene

gemachtigde Fixiq Legal/ Bezwaartegenverkeersboetes.nl

tegen

de officier van justitie

De zaak is behandeld op de openbare zitting door de kantonrechter mr. J.M. Breimer, bijgestaan door N. Snijders-de Haan als griffier.

Namens de officier van justitie is aanwezig, mr. J. Meerdink, medewerker van de Centrale Verwerkingseenheid Openbaar Ministerie als zittingsvertegenwoordiger, hierna te noemen de officier van justitie.

Betrokkene en gemachtigde zijn niet ter zitting verschenen.

De kantonrechter vat, met verwijzing naar de beslissing van de officier van justitie en het ingediende beroepschrift, kort samen wat tussen partijen in geschil is.

De officier van justitie verklaart – zakelijk weergegeven – het volgende:

Primair verzoek ik u om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren omdat sprake is van misbruik van recht, in navolging van de uitspraak van de kantonrechter in Midden-Nederland van 17 november 2025 (ECLI:NL:RBMNE:2025:6206). Subsidiair verzoek ik u te oordelen dat de gedraging vaststaat, maar dat de redelijke termijn is overschreden. Ik verzoek u de sanctie daarom met 25% te matigen en het beroep voor het overige ongegrond te verklaren.

De kantonrechter heeft het onderzoek op de zitting gesloten en twee weken later uitspraak gedaan.

Gronden voor de beslissing

Allereerst moet worden beoordeeld of het beroep ontvankelijk is. De officier van justitie heeft in dat verband aangevoerd dat sprake is van misbruik van recht door de gemachtigde, waarbij het handelen van de gemachtigde is toe te rekenen aan de betrokkene. Daartoe is onder meer gesteld dat in beroep zonder verdere onderbouwing alleen maar is ontkend dat de gedraging (door rood licht rijden) is begaan en als aanvullende beroepsgrond slechts is aangevoerd dat de redelijke termijn is overschreden. Het beroep zou evident kansloos zijn, gelet op de foto’s van de gedraging in het dossier, en het zou de gemachtigde – kort gezegd – alleen te doen zijn om het verkrijgen van een proceskostenvergoeding.

De kantonrechter overweegt als volgt.

Op grond van artikel 3:15 van het Burgerlijk Wetboek (BW) vindt artikel 3:13 BW over misbruik van (proces)recht toepassing buiten het vermogensrecht voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daar niet tegen verzet. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2025:3447) kan in bestuursrechtelijke geschillen sprake zijn van misbruik van recht, bijvoorbeeld van het recht beroep in te stellen bij de bestuursrechter. Niet-ontvankelijkheid van het beroep kan dan het gevolg zijn. Daartoe zijn zwaarwichtige gronden vereist. Die kunnen volgens de hoger beroepsrechter in zaken over verkeersboetes, het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, aanwezig zijn indien rechten of bevoegdheden evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij gegeven zijn.

In de zaak die nu voorligt is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake van voldoende zwaarwichtige gronden om misbruik van recht aan te nemen. Er zijn niet voldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat het instellen van beroep van meet af aan evident kansloos was. Dat in de aanvullende beroepsgronden de nadruk is komen te liggen op schending van de redelijke termijn en de ontkenning van de gedraging niet van een verdere onderbouwing is voorzien, is onvoldoende om te kunnen concluderen dat het rechtsmiddel alleen is aangewend om een proceskostenvergoeding te verkrijgen.

Het beroep is dan ook ontvankelijk.

Het beroep is tijdig ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie met bovenvermeld CJIB nummer, dus ook in zoverre is het beroep ontvankelijk.

Aan betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd vanwege het, met het voertuig met kenteken [kenteken] , doorgaan bij een driekleurig verkeerslicht (stoplicht) dat op rood staat, op 15 augustus 2023 om 22.24 uur, te Arnhem, Batavierenweg kruising Eldenseweg.

De kantonrechter overweegt als volgt.

In Wahv-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB, in beginsel voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

7-9-2017, ECLI:NL:GHARL:2017:7825).

Van de verweten gedraging bevinden zich foto’s in het dossier.

Er is geen reden om te twijfelen aan de - in het zaakoverzicht uitgebreid weergegeven - bevindingen van de verbalisant. De enkele niet onderbouwde stelling dat betrokkene de gedraging ontkent, is daarvoor onvoldoende.

Naar het oordeel van de kantonrechter is de verweten gedraging verricht en betrokkene hiervoor aansprakelijk.

De redelijke termijn van 2 jaar, als bedoeld in artikel 6 EVRM, is overschreden. Gelet op het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 juli 2023 (ECLI:NL:GHARL:2023:6369) wordt het sanctiebedrag met 25% gematigd.

Er zijn termen voor een proceskostenveroordeling voor de fase van het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie.

De kantonrechter kent voor de fase van het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie 1 punt toe, met een wegingsfactor van 0,5 – licht -. Op grond van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv wordt, nu de beslissing van de officier van justitie dateert van na 1 januari 2024, een vermenigvuldigingsfactor van 0,25 toegepast. De officier van justitie zal derhalve worden veroordeeld in de kosten tot een bedrag van € 116,75 (1 x € 934,- x 0,5 x 0,25).

Er zal daarom als volgt worden beslist.

Beslissing

De kantonrechter:

- verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;

- vernietigt de beslissing van de officier van justitie;

- verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;

- wijzigt de inleidende beschikking, in die zin dat de sanctie wordt gematigd tot

€ 210,- (exclusief administratiekosten);

- verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking voor het overige ongegrond;

- bepaalt dat het CJIB de gestelde zekerheid gedeeltelijk aan betrokkene terugbetaalt;

- veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten aan betrokkene tot een bedrag van € 116,75.

Waarvan proces-verbaal,

Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. J.M. Breimer, en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
De griffier, De kantonrechter,
Rechtsmiddel:
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, doch alleen indien:
a. de bij deze beslissing opgelegde sanctie meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. het beroepschrift niet-ontvankelijk is verklaard omdat de zekerheid niet (tijdig) is gesteld.
Het beroepschrift dient schriftelijk te worden ingediend bij de rechtbank Gelderland, Team strafrecht, Mulderzaken, kamer C.1.06, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem en dient door degene die beroep heeft ingesteld, of door zijn gemachtigde te zijn ondertekend. Beroepschriften die per e-mail worden ingediend, kunnen gezien de wettelijke regeling niet in behandeling worden genomen.
De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij in het beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting wordt gevraagd waarbij u uw standpunt mondeling wilt toelichten.
Een afschrift van deze uitspraak is aan betrokkene en de officier van justitie verzonden op:

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken