Rb. Gelderland 1 juli 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:3386

Woonplaats volgens artikel 2, tweede lid, van het belastingverdrag met Zwitserland (1951). Het gedurende ruim 10 jaar na de veronderstelde emigratie aanhouden van de Nederlandse woning door eiseres, levert een door eiseres te ontzenuwen bewijsvermoeden op dat eiseres haar persoonlijke betrekkingen met Nederland het nauwst zijn. Tegenover de gemotiveerde stellingen van verweerder over de Nederlandse woonplaats slaagt eiseres niet in die ontzenuwing. Eiseres en haar echtgenoot hebben een dividend ontvangen, deels in cash op een Zwitserse bankrekening, en deels middels verrekening met de rekening-courantschuld van de echtgenoot aan de vennootschap. Het op de Zwitserse bankrekening van de echtgenoot betaalde deel van het dividend is een in het buitenland opgekomen inkomensbestanddeel. Hierop is de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR van toepassing. De voortvarendheidseis als uitvloeisel van de Passenheim-jurisprudentie vindt geen toepassing omdat Zwitserland geen lid is van de EU en in relatie tot Zwitserland de standstill-bepaling geldt (artikel 64, eerste lid, WVEU). Het deel van het dividend dat is verrekend met de rekening-courantschuld is geen in het buitenland opgekomen inkomensbestanddeel, aangezien de vennootschap in Nederland is gevestigd en de verrekeningsbeslissing in Nederland werd genomen (zie ook procedures AWB 19/5566 en 20/5651). De verlengde navorderingstermijn is hierop niet van toepassing. Beroep gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken