Hof Amsterdam 31 juli 2002, ECLI:NL:GHAMS:2002:AE7506

Belanghebbende, directeur van een in Nederland gevestigde vennootschap, heeft door middel van deze vennootschap gelden in het buitenland genoten. Nu de inhoudingsplichtige geen loonheffing over deze niet aangegeven (buitenlandse) inkomensbestanddelen heeft ingehouden, staat het de inspecteur vrij te kiezen tussen naheffen van loonbelasting en het navorderen van inkomstenbelasting. Voor de toepassing van artikel 16, vierde lid, AWR is het beslissend langs welke weg de inkomensbestanddelen aan de belastingplichtige opkomen en niet de plaats van de economische activiteit. In een strafrechtelijk onderzoek naar belanghebbende heeft de Officier van Justitie het verkregen bewijs onrechtmatig verklaard. Voor het vaststellen van de uit de wet voortvloeiende belastingschuld en voor het opleggen van een verhoging bestaat er geen rechtsregel die ieder gebruik verbiedt van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs. Er is geen strijd met het una via-beginsel. Er is sprake van overschrijding van de redelijke termijn van de behandeling van de zaak in de zin van artikel 6 EVRM, maar de door de inspecteur ter compensatie aangeboden vermindering van de boete van 100% tot 75% acht het Hof passend.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen