Rb. Dordrecht 6 september 2011, ECLI:NL:RBDOR:2011:BR6988
Bouwvergunning windturbines / Crisis- en herstelwet / geen beroepsmogelijkheid voor een bestuursorgaan / gebruikmaking van verklaring van geen bezwaar ten behoeve van vrijstelling bestemmingsplan / wijziging provinciaal beleid De rechtbank stelt vast dat het bouwplan voorziet in de realisatie van drie windturbines met een capaciteit van in totaal 9 MW. Gelet op artikel 9e, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998, bezien in samenhang met artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Crisis- en herstelwet (hierna: de Chw) en categorie 1.1 van bijlage 1 van de Chw, is de rechtbank van oordeel dat de oprichting van een windpark met een capaciteit van 5 tot 100 MW - en dus ook dit windpark - onder de reikwijdte van de Chw valt. Gelet op artikel 1.4 van de Chw kan het college van burgemeester en wethouders van de naburige gemeente geen beroep instellen tegen de het besluit op zijn bezwaar. Ten tijde van het verlenen van de verklaring van geen bezwaar was het bouwplan naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd met het provinciaal beleid, zoals dat op dat moment in ontwikkeling was. Na het verlenen van de verklaring van geen bezwaar door gedeputeerde staten en voor het nemen van de bestreden besluiten door verweerder, hebben zich evenwel ontwikkelingen voorgedaan ten aanzien van de hier aan de orde zijnde windturbines, die uiteindelijk hebben geleid tot wijziging van het provinciaal beleid. Weliswaar is de vaststelling van de Provinciale Structuurvisie, waarin uitdrukkelijk is opgenomen dat de plaatsing van windturbines aan de randen van het Groene Hart is uitgesloten, van na de bestreden besluiten, maar de voorbereiding van deze structuurvisie heeft geruime tijd geduurd en het was ten tijde van de bestreden besluiten al duidelijk dat op provinciaal niveau discussie was ontstaan over de plaatsing van de onderhavige windturbines, zodat verweerder rekening diende te houden met de mogelijkheid van een verdere provinciale beleidswijziging dienaangaande. Het had dan ook op de weg van verweerder gelegen om zich in het kader van de heroverweging rekenschap te geven van de gewijzigde inzichten van provinciale staten en de gevolgen daarvan voor het onderhavige bouwplan. Hierbij acht de rechtbank ook van belang dat eisers in hun bezwaren heel nadrukkelijk hebben gewezen op de gewijzigde inzichten bij provinciale staten. Bij verweerder had dan ook ernstige twijfel moeten zijn ontstaan over de vraag of het provinciale beleid het nog wel zou toestaan om op de onderhavige locatie windturbines op te richten. Verweerder heeft zich daarbij niet zonder meer op het standpunt kunnen blijven stellen dat de verklaring van geen bezwaar overeenkomstig het (destijds) geldende provinciale beleid was afgegeven en dat de verleende vrijstelling derhalve kon worden gehandhaafd. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder uit een oogpunt van zorgvuldigheid, hetzij de naderende vaststelling van de Provinciale Structuurvisie moeten afwachten, hetzij zich met gedeputeerde staten moeten verstaan over het (blijven) gebruiken van de verklaring van geen bezwaar. Aan de bestreden besluiten, en daarmee aan de handhaving van de verleende vrijstelling en bouwvergunning, ligt derhalve geen deugdelijke voorbereiding en motivering ten grondslag. De beroepen zijn dan ook gegrond. Nu verweerder bij het nemen van nieuwe beslissingen op bezwaar rekening moet houden met de op 2 juli 2010 vastgestelde Provinciale Structuurvisie en de op 26 januari 2011 vastgestelde Nota Wervelender, waarin de hier aan de orde zijnde locatie als locatie voor windenergie is geschrapt, is de rechtbank van oordeel dat verweerder geen gebruik meer kan maken van de op 1 december 2009 verleende verklaring van geen bezwaar en de vrijstelling en de verleende bouwvergunning ook niet meer in stand kunnen blijven. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om het primaire besluit van 9 december 2009 te herroepen en te bepalen dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 4a Wet op de Ruimtelijke Ordening
- Artikel 19 Wet op de Ruimtelijke Ordening
- Artikel 19a Wet op de Ruimtelijke Ordening
- Artikel 55 Wet op de Ruimtelijke Ordening
- Artikel 19d NaBW
- Artikel 40 Wonw
- Artikel 44 Wonw
- Artikel 49 Wonw
- Artikel 1:2 Awb
- Artikel 3:2 Awb
- Artikel 7:11 Awb
- Artikel 7:12 Awb
- Artikel 8:1 Awb
- Artikel 8:72 Awb
- Artikel 8:74 Awb
- Artikel 8:75 Awb
- Artikel 10:31 Awb
- Artikel 3 BPB
- Artikel 9e E-wet
- Artikel 3.26 Wet ruimtelijke ordening