Rb. Den Haag 12 oktober 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:30096

MK-uitspraak, 8 EVRM. De rechtbank komt tot het oordeel dat de minister ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat er geen sprake is van beschermenswaardig familie- of gezinsleven tussen eiseres en haar zoon en diens echtgenote, zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Ook heeft de minister ten onrechte geen familie- of gezinsleven aangenomen tussen eiseres en haar kleinkinderen. Het beroep is daarom gegrond. De minister moet opnieuw een besluit nemen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.29352
V-nummer: [V nummer]
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] ,
geboren op [geboortedatum] 1959, van Afghaanse nationaliteit, eiseres
(gemachtigde: mr. I.C. van Krimpen),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. E.P.C. van der Weijden).

Procesverloop

Met het besluit van 20 december 2023 heeft de minister de aanvraag van eiseres tot verlening van een mvv voor het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ afgewezen. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt.

Met het besluit van 10 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 13 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de heer [persoon 1] , de heer D. Hosseini als tolk in de taal Dari, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst om kindgesprekken te houden met de twee oudste kleinkinderen van eiseres, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

De voorzitter van de meervoudige kamer heeft deze kindgesprekken op 20 augustus 2026 gevoerd. Vervolgens is een verslag van het kindgesprek met partijen in het digitale dossier gedeeld en zijn partijen in de gelegenheid gesteld om hier binnen twee weken op te reageren.

De minister en eiseres hebben op 2 september 2026 hun reactie ingediend en daarbij de rechtbank toestemming gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen.

De rechtbank heeft het onderzoek op 3 september 2026 gesloten.

Overwegingen

Achtergrond

1 Eiseres is de (gestelde) moeder van [referent] (hierna: referent). Referent is in 2011 getrouwd met zijn eerste echtgenote, [persoon 2] (hierna ook: [persoon 2] ). Uit hun huwelijk zijn vier kinderen geboren: [minderjarige 1] (geboren op 20 mei 2012), [minderjarige 2] (geboren op 21 juli 2014), [minderjarige 3] (geboren op 27 juli 2019) en [minderjarige 4] (geboren op 24 augustus 2021). Referent is later in het huwelijk getreden met zijn tweede echtgenote, [persoon 3] . Zij hebben samen een dochter, [minderjarige 5] , die op 24 januari 2022 is geboren.

1.1 Referent, [persoon 2] en hun vier kinderen hebben tot 2022 met eiseres samengewoond. In juni 2022 is referent, samen met [persoon 2] en hun kinderen, uit Afghanistan geëvacueerd. Eiseres is in Afghanistan achtergebleven. In Nederland is referent in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

1.2 Op 2 november 2022 heeft referent namens eiseres een aanvraag ingediend voor de afgifte van een mvv op grond van artikel 8 van het EVRM.
Besluitvorming
2. In het primaire besluit, gehandhaafd in het bestreden besluit, heeft de minister deze aanvraag afgewezen. Volgens de minister heeft referent de familierechtelijke relatie met eiseres niet aannemelijk gemaakt. De twee overgelegde documenten zijn niet voldoende, maar dat kan hen niet worden tegengeworpen, omdat het niet gebruikelijk is in Afghanistan om de moeder op officiële documenten te benoemen. Eiseres krijgt daarom het voordeel van de twijfel om nader onderzoek te doen. De minister biedt echter geen nader onderzoek aan, omdat dit de beslissing op de aanvraag niet anders zou maken. Volgens de minister is namelijk geen sprake van beschermenswaardig familie- of gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM en komt eiseres daarom niet in aanmerking voor de gevraagde mvv. Daartoe overweegt de minister dat niet is gebleken dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen aan de ene kant eiseres en aan de andere kant referent en zijn echtgenote. Ook meent de minister dat er geen sprake is van hechte persoonlijke banden tussen eiseres en haar kleinkinderen.
Beschermenswaardig familieleven tussen eiseres en referent en zijn echtgenote.
Toetsingskader
3. Aan de orde is allereerst de vraag of tussen eiseres en referent en zijn echtgenote sprake is van beschermenswaardig familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Uit vaste rechtspraak van het EHRM volgt dat pas kan worden gesproken van beschermenswaardig familie- of gezinsleven tussen ouders en hun meerderjarige kinderen, als sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen (‘further elements of dependency, involving more than normal emotional ties’). De vraag of hiervan sprake is, is een vraag van feitelijke aard. De beantwoording daarvan is afhankelijk van het daadwerkelijk bestaan van hechte, persoonlijke banden.

3.1 Het is aan de vreemdeling om te stellen, en zoveel mogelijk te onderbouwen, uit welke feiten en omstandigheden de bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Het is vervolgens aan de minister om te beoordelen of er daadwerkelijk bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn. De minister dient hierbij een op het specifieke geval toegespitste beoordeling te maken van alle door een vreemdeling aangedragen feiten en omstandigheden die kunnen maken dat er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Het EHRM heeft in verschillende arresten factoren aangewezen die relevant kunnen zijn. Van belang is of de familieleden hebben samengewoond, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van materiële en emotionele afhankelijkheid, de medische omstandigheden, de banden met het land van herkomst en of de gezinsleden in het land van herkomst behoorden tot hetzelfde gezin.

3.2 De rechtbank toetst de uitkomst van de beoordeling van de minister – evenals het EHRM – vol. De rechtbank verwijst daarvoor naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 22 april 2025 en de tussenuitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 20 november 2025 en maakt de overwegingen in deze uitspraak de hare.

Standpunt eiseres

3.3 Eiseres meent dat de minister ten onrechte geen bijkomende elementen van afhankelijkheid heeft aangenomen tussen haar en referent en zijn echtgenote. Zij voert aan dat de minister onvoldoende gewicht heeft gehecht aan de omstandigheid dat referent dertig jaar en zijn echtgenote vanaf haar zestiende jaar met haar heeft samengewoond. Daarnaast heeft de minister ten onrechte niet gemotiveerd waarom uit de door referent ingeleverde stukken niet blijkt dat er sprake is van structurele financiële steun door referent aan eiseres. De minister heeft verder niet deugdelijk gemotiveerd waarom niet wordt gevolgd dat er bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn ontstaan als gevolg van de zorg die referent op afstand levert aan eiseres. De minister heeft een te strenge toets gehanteerd door te overwegen dat de bijkomende elementen van afhankelijkheid zo sterk moeten zijn dat eiseres zich als gevolg van een scheiding niet zelfstandig weet te handhaven. Ook is ten onrechte van belang geacht dat eiseres de nodige hulp en ondersteuning ontvangt van anderen. De minister miskent hiermee dat er geen reële mogelijkheid is dat eiseres zonder tussenkomst van referent de benodigde zorg ontvangt. Eiseres stelt namelijk dat zij de benodigde zorg niet kan ontvangen van haar gestelde sociale netwerk zonder tussenkomst van referent.

3.4 Eiseres kan zich verder niet vinden in het standpunt van de minister dat asielgerelateerde omstandigheden niet in de 8 EVRM-beoordeling kunnen worden betrokken. De minister heeft ten onrechte geen rekening gehouden met de moeilijke situatie van het gezin in Afghanistan. Ook wordt ten onrechte overwogen dat referent zonder eiseres kan omdat hij wegens zijn werk en tweede huwelijk vaak langer van huis was. Hij werkte juist om te kunnen voorzien in het levensonderhoud van eiseres. Verder is onvoldoende rekening gehouden met de zeer sterke band tussen eiseres en referent wegens het overlijden van hun vader/echtgenoot, de gedwongen vlucht van referent en het zeer vele contact van eiseres met referent sinds zijn vlucht. Wat betreft de banden met het land van herkomst stelt eiseres dat deze niets zeggen over haar band met referent. Voor zover de banden met het land van herkomst en Nederland wel meewegen in de beoordeling, miskent de minister dat de banden van eiseres met Afghanistan niet afdoen aan haar hechte persoonlijke banden met referent.

3.5 Tot slot voert eiseres aan dat het bestreden besluit geen blijk geeft van een cumulatieve beoordeling van de bijkomende elementen van afhankelijkheid.

Het oordeel van de rechtbank

3.6 De rechtbank is – vol toetsend – van oordeel dat de minister ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen aan de ene kant eiseres en aan de andere kant referent en zijn echtgenote. Dit motiveert de rechtbank als volgt.

3.7 De eerste relevante factor voor de beoordeling of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid is of er sprake is (geweest) van samenwoning. Dat is het geval. Niet in geschil is dat eiseres en referent langdurig met elkaar hebben samengewoond, namelijk vanaf zijn geboorte in 1991 tot aan zijn evacuatie in 2022. In 2011 is de eerste echtgenote van referent bij hen komen wonen. Referent en [persoon 2] kregen vier kinderen. De rechtbank volgt de minister niet in zijn standpunt dat het samenwonen in de beoordeling minder zwaar wordt gewogen omdat het binnen de Afghaanse cultuur gebruikelijk is dat ouders bij hun volwassenen kinderen blijven wonen en dat er met betrekking tot het samenwonen daarom sprake moet zijn van iets bijzonders ten opzichte van deze gebruikelijke situatie om bijkomende elementen van afhankelijkheid aan te nemen. Uit de rechtspraak van de Afdeling leidt de rechtbank af dat moet worden gekeken naar de feitelijke situatie en de emotionele banden in het individuele geval. Het gaat het er dus niet om of de betrokkenen zich bevinden in een situatie die vergelijkbaar of juist afwijkend is van anderen en of iets wel of niet gebruikelijk is binnen een cultuur. Dat past in wat het EHRM in dergelijke zaken oordeelt. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, maakte eiseres in verschillende levensfasen, ook nadat referent huwde en kinderen kreeg, een integraal onderdeel uit van het dagelijkse leven van referent. Eiseres heeft bovendien geen andere kinderen: referent is haar enige zoon. Aan deze factor komt in deze zaak dan ook veel gewicht toe.

3.8 De rechtbank is verder van oordeel dat ook veel gewicht moet worden toegekend aan de factor materiële afhankelijkheid. De rechtbank stelt namelijk vast dat de materiële afhankelijkheid van eiseres van referent na diens vertrek sterk is toegenomen. Aanvankelijk zijn de tweede echtgenote van referent en hun dochter na het vertrek van referent bij eiseres gaan wonen. Zij zijn op enig moment echter vertrokken naar Kabul en zijn later naar Nederland gevlucht, waar zij een asielaanvraag hebben ingediend. Eiseres is alleen in de woning achtergebleven. Referent heeft verklaard dat eiseres geen mannelijke familieleden meer in Afghanistan heeft en dat het gelet op de huidige situatie in Afghanistan niet veilig is voor eiseres om alleen naar buiten te gaan. Een zoon van de buurvrouw slaapt regelmatig ’s nachts bij eiseres en brengt haar boodschappen. Hoewel hieruit blijkt dat eiseres wel kan terugvallen op een netwerk in haar buurt om in haar basisbehoeften te voorzien, is niet in geschil dat referent hierbij een coördinerende rol speelt. Gelet op de omstandigheid dat eiseres als alleenstaande vrouw onder de huidige regering van de Taliban niet tot nauwelijks zelfstandig in haar levensonderhoud kan voorzien, moet naar het oordeel van de rechtbank dan ook geconcludeerd worden dat eiseres in belangrijke mate materieel afhankelijk is geworden van de ondersteuning die referent op afstand biedt. Het standpunt van de minister dat de problemen die eiseres wegens de regels van de Taliban ondervindt, wijzen op asielgerelateerde problemen en niet op een (exclusieve) bijkomende afhankelijkheid tussen eiseres en referent volgt de rechtbank niet. Het is immers juist door deze regels dat eiseres zich niet zelfstandig kan handhaven en is aangewezen op de coördinerende rol van referent om in haar levensbehoeften te kunnen voorzien.

3.9 De rechtbank acht verder van belang dat in het bestreden besluit niet wordt betwist dat tussen eiseres en referent een sterke emotionele band bestaat, mede gelet op de langdurige samenwoning en doordat de echtgenoot van eiseres is overleden toen referent nog jong was. Ook dit vormt een aanwijzing dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid.

3.10 Ten aanzien van de financiële afhankelijkheid overweegt de rechtbank dat eiseres met de door haar overgelegde stukken niet aannemelijk heeft gemaakt dat referent haar structureel financieel heeft ondersteund. Wel kan uit deze stukken worden afgeleid dat referent incidenteel geldbedragen aan eiseres heeft overgemaakt. Ook heeft referent verklaard dat dat hij de woning waar hij met eiseres verbleef heeft verkocht zodat eiseres een periode van dit geld kon leven. Dit wordt door de minister niet betwist. Dat referent eiseres in ieder geval in enige mate financieel heeft ondersteund, acht de rechtbank daarom aannemelijk. Hoewel uit deze financiële ondersteuning op zichzelf niet kan worden afgeleid dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid, vormt dit wel een element dat meeweegt bij de beoordeling of daarvan sprake is. Dat deze financiële ondersteuning op afstand kan worden voortgezet, doet niet af aan de feitelijke constatering van de financiële ondersteuning en betekent nog niet dat tussen eiseres en referent geen bijkomende elementen van afhankelijkheid kunnen bestaan. Die bijkomende elementen kunnen immers nog steeds volgen uit de financiële afhankelijkheid in samenhang bezien met de overige individuele omstandigheden.

3.11 Wat betreft de medische zorg is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden dat eiseres (exclusief) afhankelijk is van referent. Niet is gebleken dat er voordat referent uit Afghanistan vertrok bij eiseres sprake was van (ernstige) medische klachten. Zo heeft referent bij zijn aanvraag verklaard dat eiseres geen medische problemen had. Uit de overgelegde stukken blijkt dat eiseres na het vertrek van referent wel medische klachten heeft ontwikkeld, waarbij zij volgens referent en de kleinkinderen van eiseres vooral last heeft van knie- en rugpijn. Zoals ook op de zitting naar voren is gekomen heeft eiseres wel – met behulp van haar buren – toegang kunnen krijgen tot een medische behandeling voor haar medische problemen. Het is dan ook niet gebleken dat de door eiseres benodigde zorg niet kan worden geleverd door anderen. Niet in geschil is dat referent bij het regelen van de zorg wel een coördinerende rol op zich neemt. De rechtbank neemt daarom aan dat er wel een zekere mate van afhankelijkheid bestaat. Dat het volgens de minister hier gelet op de ouderdom van eiseres om voorzienbare klachten gaat, acht de rechtbank overigens geen relevante omstandigheid voor de beoordeling. Dit zegt immers niets over de vraag of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid.

3.12 Ten aanzien van de banden met het land van herkomst overweegt de rechtbank dat eiseres met name banden heeft met Afghanistan omdat zij haar gehele leven daar heeft gewoond. De banden met Nederland zijn vooral gelegen in de omstandigheid dat referent en haar kleinkinderen hier zijn. Door de sterke banden met het land van herkomst kan hieruit op zichzelf geen bijkomend element van afhankelijkheid worden afgeleid maar door de veranderende omstandigheden in Afghanistan kent de rechtbank in het geheel van elementen geen groot gewicht hieraan toe.

3.13 Alles bij elkaar genomen en de hierboven genoemde elementen in hun samenhang bezien, concludeert de rechtbank dat tussen eiseres en referent sprake is van emotionele banden die het gangbare overstijgen. Daarmee is dus sprake van beschermenswaardig familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Het bestreden besluit is op dit onderdeel daarom onzorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd.

3.14 In vergelijkbare mate geldt het bovenstaande ook voor eiseres en [persoon 2] . Meer specifiek overweegt de rechtbank dat [persoon 2] vanaf 2011 tot aan de evacuatie in 2022 met eiseres heeft samengewoond. In de tussenliggende periode is [persoon 2] bevallen van vier kinderen en eiseres was bij de geboortes aanwezig. Ook hielp eiseres [persoon 2] met de zorg- en opvoedtaken van de kinderen en invulling te geven aan haar moederrol. [persoon 2] was zestien jaar toen zij bij eiseres kwam inwonen en uit het dossier volgt dat zij – omdat zij nog jong was – veel moest leren met betrekking tot huishoudelijke taken. Zij leerde dat van eiseres. Ook waren eiseres en [persoon 2] soms langere periodes op elkaar aangewezen, namelijk als referent voor zijn werk in het buitenland was. De rechtbank concludeert daarom ook ten aanzien van eiseres en [persoon 2] dat sprake is van emotionele banden die het gangbare overstijgen en daarmee dat sprake is van beschermenswaardig familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Het bestreden besluit is op dit onderdeel daarom onzorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd.
Beschermenswaardig familieleven tussen eiseres en haar kleinkinderen
Toetsingskader
4. In deze zaak is ook aan de orde of er tussen eiseres en haar kleinkinderen sprake is van beschermenswaardig familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Uit rechtspraak van het EHRM volgt dat familie- of gezinsleven tussen grootouders en hun kleinkinderen wordt aangenomen als sprake is van hechte persoonlijke banden (“sufficiently close family ties”). De vraag of sprake is van ‘hechte persoonlijke banden’ is een kwestie van feitelijke aard. Of sprake is van hechte persoonlijke banden moet dus altijd worden afgeleid uit een zorgvuldige en gemotiveerde weging van de feitelijke situatie.

4.1 Als de relatie de gebruikelijke omgang ontstijgt, kan dit duiden op hechte persoonlijke banden. Deze banden worden doorgaans ook aangenomen indien een grootouder en een kleinkind een tijd hebben samengewoond. Daarbij merkt de rechtbank op dat het samenwonen van een grootouder en een kleinkind geen vereiste is voor het aannemen van familie- en gezinsleven, aangezien frequent contact ook voldoende kan zijn voor het ontstaan van hechte persoonlijke banden.

Standpunt eiseres

4.2 Eiseres voert aan dat het bestreden besluit met betrekking tot de beoordeling of sprake is van hechte persoonlijke banden tussen haar en haar kleinkinderen geen blijk geeft van een zorgvuldige en gemotiveerde weging. De minister heeft er geen rekening mee gehouden dat eiseres aanwezig was bij de geboorte van alle kleinkinderen, sinds hun geboorte zorg- en opvoedtaken voor hen heeft verricht en dat zij – als zij niet wegens de evacuatie uit Afghanistan van eiseres waren gescheiden – zij nog steeds mede verzorgd zouden worden door eiseres. Eiseres stelt dat de minister ten onrechte vereist dat eiseres de primaire of vervangende verzorger is van de kinderen, dan wel de eindverantwoordelijkheid voor hen draagt.

Het oordeel van de rechtbank

4.3 Door de minister wordt niet betwist dat eiseres steeds bij de geboorte van haar kleinkinderen aanwezig is geweest en dat zij met hen in dezelfde woning heeft samengewoond totdat de kleinkinderen en referent in 2022 uit Afghanistan werden geëvacueerd. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben hierover tijdens hun kindgesprekken verklaard dat zij een slaapkamer deelden met eiseres en dat referent en diens echtgenote met de twee jongste kleinkinderen samen sliepen. De minister heeft daarnaast aannemelijk geacht dat eiseres – mede omdat de echtgenote van referent al op jonge leeftijd kinderen heeft gekregen – wegens haar ervaring was betrokken bij de opvoeding van de kleinkinderen en voor hen zorg- en opvoedtaken heeft verricht. De kleinkinderen hebben hierover verklaard dat zij meerdere keren per week met eiseres boodschappen deden, dat eiseres voor hen kookte of hun moeder hielp bij het koken en dat eiseres hen hielp bij het maken van huiswerk. Ook bracht eiseres hen meestal naar school en deden zij samen activiteiten zoals uit eten gaan, kleding kopen en spelletjes spelen. Verder is niet in geschil dat eiseres en haar kleinkinderen na hun vertrek uit Afghanistan op afstand via videobellen frequent contact met elkaar hebben gehouden. Volgens de kleinkinderen bellen zij dagelijks of om de dag met eiseres en geeft zij hen in deze gesprekken advies, zoals dat zij naar school moeten, hun huiswerk moeten maken en goed moeten eten.

4.4 De rechtbank is van oordeel dat gelet op het langdurige samenwonen, de nauwe betrokkenheid van eiseres bij de zorg en opvoeding en het (nog steeds) frequente contact tussen eiseres en haar kleinkinderen sprake is van banden die de gebruikelijke banden tussen een grootouder en diens kleinkinderen overstijgt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister ten onrechte heeft tegengeworpen dat tussen hen geen sprake is van hechte persoonlijke banden. Met het standpunt dat referent en diens echtgenote steeds als ouders de primaire verzorgers zijn geweest van de kleinkinderen en dat eiseres nooit de ouderrol heeft overgenomen, legt de minister naar het oordeel van de rechtbank de lat te hoog. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt immers niet dat vereist is dat de grootouder de ouderrol moet hebben overgenomen. Het gaat erom of gelet op de feitelijke situatie tussen de grootouder en de kleinkinderen voldoende hechte persoonlijke banden zijn ontstaan. Zulke banden kunnen ook ontstaan wanneer de ouders als primaire verzorgers aanwezig zijn, bijvoorbeeld wanneer de grootouder naast de ouders een belangrijke rol in de verzorging en opvoeding van de kleinkinderen op zich neemt. Daar komt bij dat de minister de verklaring van referent dat eiseres een tweede moeder voor zijn kinderen was niet in zijn beoordeling heeft betrokken. Ook is de minister niet ingegaan op de verklaring dat referent soms langere tijd niet thuis was wegens zijn werkzaamheden in het buitenland en dat daarom voor een langere periode alleen eiseres en zijn echtgenote met de kinderen samen waren. [minderjarige 1] heeft hierover tijdens het kindgesprek verklaard dat als zijn vader weg was eiseres de rol van baas in het huis overnam van referent. Ook gelet op deze verklaringen kan de rechtbank de minister niet volgen in zijn standpunt dat geen sprake is van hechte persoonlijke banden.

4.5 In de verwijzing van de minister naar de uitspraak van de Afdeling van 15 november 2024 ziet de rechtbank geen reden om tot een ander oordeel te komen. In die zaak heeft de Afdeling geoordeeld dat het jarenlange samenwonen tussen de vreemdeling en haar kleinkind op zichzelf onvoldoende is om hechte persoonlijke banden aan te nemen. De Afdeling stelde vast dat de vreemdeling jarenlang niet alleen met haar kleinkind, maar tegelijkertijd ook met diens ouders heeft samengewoond, de vreemdeling maar beperkt betrokken is geweest bij de opvoeding en verzorging van het kleinkind en geen andere omstandigheden heeft aangedragen die maken dat sprake zou zijn van hechte persoonlijke omstandigheden. De minister kon zich daarom in die zaak op het standpunt stellen dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van hechte persoonlijke banden. Dat is een wezenlijk andere feitelijke situatie dan het geval is in de onderhavige zaak. Uit het dossier komt immers naar voren dat, naast het langdurig samenwonen, eiseres wel een belangrijke rol heeft gespeeld in de verzorging en opvoeding van haar kleinkinderen. Door de minister wordt ook niet betwist dat er een sterke band tussen eiseres en de kleinkinderen is ontstaan. Ook de zorg- en opvoedtaken die door de vreemdeling in de door de minister aangehaalde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 5 februari 2026 voor haar kleinkinderen werden verricht, zijn naar het oordeel van de rechtbank niet vergelijkbaar met de taken die eiseres op zich heeft genomen. In die zaak ging het alleen om samen slapen, spelen en eten en drinken. Tot slot ziet de rechtbank in het standpunt van de minister dat het in Afghaanse gezinnen gebruikelijk is dat ouders bij hun kinderen blijven wonen, ook nadat hun kinderen zelf kinderen krijgen, geen reden om geen hechte persoonlijke banden aan te nemen. Zoals door de rechtbank ook onder 3.7 is overwogen, moet bij de beoordeling of sprake is van beschermenswaardig familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM worden gekeken naar de banden in het individuele geval. Het gaat er niet om of de betrokkenen zich bevinden in een situatie die vergelijkbaar of juist afwijkend is van anderen.

4.6 De rechtbank concludeert dat tussen eiseres en haar kleinkinderen sprake is van hechte persoonlijke banden. Daarmee is sprake van beschermenswaardig familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Het bestreden besluit is ook op dit onderdeel onzorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

5 Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met het zorgvuldigheidsvereiste en het motiveringsvereiste. De rechtbank ziet, gelet op de aard van de gebreken, geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen. De minister zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Omdat geoordeeld is dat sprake is van beschermenswaardig familie- en gezinsleven, zal de minister in het nieuw te nemen besluit zich dienen uit te laten over de familierechtelijke relatie tussen eiseres en referent en diens kleinkinderen en/of een belangenafweging dienen te maken. De rechtbank stelt een termijn van zes weken voor het nemen van een nieuw besluit.

6 De rechtbank veroordeelt de minister in het door eiseres betaalde griffierecht en de door eiseres gemaakte proceskosten. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van een reactie op de verslagen van de kindgesprekken, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.335,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, voorzitter, en mr. M.H. van Haeften en mr. A.E.J.M. Gielen, leden, in aanwezigheid van mr. F.W. Victoor, griffier.

Samenvatting voor de uitspraak voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2]

Beste [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ,

Op 20 augustus 2026 hebben wij elkaar gesproken bij de rechtbank. Jullie hebben mij verteld dat jullie graag willen dat jullie oma naar Nederland komt. Jullie hebben altijd met haar samengewoond, zij heeft altijd voor jullie gezorgd, jullie missen haar en jullie maken je ook zorgen om haar.

Aan het eind van ons gesprek hebben we samen afgesproken wat ik uit ons gesprek mocht vertellen aan de minister, jouw vader en aan de advocaat van oma. Samen met nog twee andere rechters heb ik goed nagedacht over onze beslissing. In deze brief vertel ik je wat onze beslissing is.

Wij hebben besloten dat de minister de band tussen oma en jullie vader en moeder en de band tussen oma en de kleinkinderen niet goed heeft beoordeeld. Die is volgens de rechtbank namelijk wel sterk. De minister moet daarom nog een keer goed kijken naar jullie situatie en een nieuwe beslissing nemen. De minister moet dan rekening houden met onze aanwijzingen.

Onze beslissing betekent niet dat jullie oma nu een vergunning krijgt om naar Nederland te komen. De minister moet opnieuw naar de situatie kijken en opnieuw een beslissing nemen. Die beslissing kan voor jullie gunstig zijn, maar de minister kan ook weer in jullie nadeel beslissen. Dan kunnen jullie daartegen opnieuw in beroep gaan. Wij hebben de minister daarvoor zes weken de tijd gegeven. Het is de bedoeling dat jullie binnen zes weken een nieuw besluit krijgen.

Als de minister het niet eens is met onze beslissing, dan kan hij binnen vier weken in hoger beroep gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dat is een hogere rechter, die dan nog eens naar de situatie gaat kijken. Ook jullie oma kan in hoger beroep gaan. Als er geen hoger beroep komt, dan is de rechterlijke procedure na onze beslissing klaar en moet de minister een nieuw besluit nemen.

Ik vind het heel goed van jullie dat jullie naar de rechtbank zijn gekomen om te vertellen wat jullie ervan vinden. Ik hoop dat het zo duidelijk is wat wij hebben beslist, en waarom wij deze beslissing heb genomen.

Groetjes,

De rechter: Carola Bleijendaal.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken