Rb. Den Haag 5 oktober 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:29426
AMBV Zweden - overgangsrecht / omvang rechtsmiddel AMBV / opkomen tegen niet gebruikmaken van discretionaire bevoegdheid. Asielaanvraag en voornemen vóór 12 juni 2026, overdrachtsbesluit na 12 juni 2026. Het overgangsrecht in Verordening 2024/1351 ziet op de verantwoordelijkheidsvaststelling en niet op de procedureregels. Verweerder heeft verzuimd om eiser te horen – omdat eiser had moeten worden gehoord voorafgaand aan het uitbrengen van het voornemen, houdt dit gebrek verband met de verantwoordelijkheidsbepaling en kan eiser zich beroepen op dit gebrek. Verordening 2024/1351 biedt geen mogelijkheid om beroep in te stellen tegen de beslissing van de beslisautoriteit om geen gebruik te maken van de bevoegdheid om een asielaanvraag onverplicht inhoudelijk te behandelen. De rechtbank neemt aan dat de Uniewetgever in Verordening 2024/1351 het arrest van 18 april 2024 in de zaak AHY heeft willen codificeren. De beperking van de omvang van het rechtsmiddel zoals bepaald in artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351 voor zover dit ziet op het niet omvatten van een mogelijkheid om te klagen over het niet toepassen van de discretionaire bevoegdheid, is niet in strijd met het Unierecht, omdat de toepassing van het beleid en het beslissen om al dan niet toepassing te geven aan de discretionaire bevoegdheid in een concrete procedure gebaseerd is op een nationale grondslag. De rechtbank ziet om deze reden dan ook geen aanleiding om een geldigheidsvraag aan het Hof te stellen, zoals de rechtbank die aanleiding wel heeft gezien met betrekking tot de vraag of het rechtsmiddel kan worden onderbouwd met een beroep op het belang van het kind of een beroep op het grondrecht op behoorlijk bestuur. Eiser kan niet op grond van Verordening 2024/1351 opkomen tegen de beslissing van verweerder om de asielaanvraag niet onverplicht te behandelen. Dat laat echter onverlet dat eiser wel een rechtsmiddel moet kunnen aanwenden tegen een besluit dat verweerder neemt op grond van vastgesteld en gepubliceerd beleid. Dit volgt immers uit algemeen bestuurs(proces)recht. In het Nederlandse bestuursprocesrecht is op dit moment geen zelfstandige procedure ingericht waarin een rechtsmiddel wordt toegekend aan een verzoeker wiens asielverzoek niet in behandeling wordt genomen en die het niet eens is met de beslissing van verweerder om geen gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid. Verweerder neemt bovendien één besluit op een asielaanvraag, dat zowel een overdrachtsbesluit omvat als een beslissing om geen gebruik te maken van zijn bevoegdheid om de asielaanvraag onverplicht inhoudelijk te behandelen. De rechtbank overweegt daarom dat een verzoeker die een rechtsmiddel aanwendt tegen een overdrachtsbesluit, ook de mogelijkheid heeft om zich in datzelfde rechtsmiddel te beroepen op het door verweerder niet gebruikmaken van de bevoegdheid om de asielaanvraag onverplicht te behandelen. Het rechtsmiddel is dan, net als het besluit waarin een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen en een overdrachtsbesluit wordt vastgesteld, deels gegrond op het Unierecht en deels gegrond op het nationale bestuursprocesrecht. Verweerder voert niet langer het beleid dat hij een asielaanvraag onverplicht inhoudelijk behandelt als de overdracht van onevenredige hardheid getuigt, maar doet dit uitsluitend als het onverplicht inhoudelijk behandelen van de asielaanvraag in het belang van verweerder is. Verweerder is bevoegd om dit beleid zo te voeren, reeds omdat er geen enkele verplichting bestaat om gebruik te maken van de in artikel 35, lid 1, van Verordening 2024/1351 neergelegde bevoegdheid en omdat het Hof in het eerder genoemde arrest van 18 april 2024 in de zaak AHY heeft verduidelijkt dat het gebruik maken van de facultatieve bepaling aan geen enkele specifieke voorwaarde is onderworpen. De beroepsgronden slagen niet, de aanvullend verrichte ambtshalve beoordeling van het refoulementrisico leidt ook niet tot het verbieden van de overdracht. Beroep ongegrond. Hersteluitspraak omdat de rechtbank aanvankelijk ten onrechte een beroepstermijn van 1 week had vermeld.
De uitspraak op rechtspraak.nl