Rb. Den Haag 21 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:27492

Prejudiciële vragen Asiel- en Migratiebeheer Verordening – Terugname / grondrecht op behoorlijk bestuur & omvang rechtsmiddel / motiveren afzien persoonlijk onderhoud in terugnameprocedures bij minderjarigen / belang van het kind / aanvang overdrachtstermijn. Verzoekster is een alleenstaande moeder die afkomstig is uit Nigeria. Zij heeft mede namens haar drie kinderen, een baby van zes maanden en een tweeling van 4 jaar oud, die in België zijn geboren en net als verzoekster de Nigeriaanse nationaliteit hebben, een verzoek om internationale bescherming in Nederland ingediend. Verweerder heeft een kennisgeving terzake terugname ingediend bij de Belgische autoriteiten en de Belgische autoriteiten hebben deze kennisgeving bevestigd en daarmee erkend verantwoordelijk te zijn voor het verzoek om internationale bescherming van verzoekster en haar kinderen. De rechtbank moet uitspraak doen op het overdrachtsbesluit en op het verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoekster maakt bezwaar tegen de overdracht aan België en legt hieraan met name ten grondslag dat verweerder essentiële procedurele waarborgen die Verordening 2024/1351 bevat niet heeft nageleefd en dat haar verdedigingsrechten zijn geschonden. De Uniewetgever lijkt in de regeling van de rechtsmiddelen, die is neergelegd in artikel 43 van Verordening 2024/1351, de draagwijdte van de omvang van het rechtsmiddel te hebben beperkt tot drie concreet opgesomde situaties. De rechtbank vraagt het Hof of deze beperking geldig is indien de Uniewetgever daadwerkelijk heeft beoogd dat verzoekster geen beroep kan doen op haar grondrecht op behoorlijk bestuur en heeft beoogd dat verzoekster de niet-naleving van essentiële procedurele waarborgen waarin Verordening 2024/1351 voorziet niet kan aanvoeren om het overdrachtsbesluit te betwisten. De Uniewetgever heeft de lidstaten in Verordening 2024/1351 niet verplicht om in terugnameprocedures een persoonlijk onderhoud te voeren. Verweerder voert beleid dat hij dit daarom ook niet doet, tenzij de verzoeker een niet-begeleide minderjarige is. De rechtbank vraagt het Hof of de verplichting voor de lidstaten om het belang van (elk) minderjarig kind een eerste overweging te laten zijn meebrengt dat de beslissing om af te zien van een persoonlijk onderhoud in een terugnameprocedure moet worden gebaseerd op een beoordeling van de individuele omstandigheden van de verzoeker, indien deze verzoeker, of een van deze verzoekers, minderjarig is en vereist dat deze beslissing moet worden gemotiveerd. De rechtbank vraagt het Hof voorts om te verduidelijken op welke wijze de rechtbank invulling moet geven aan haar eigen verplichting om het belang van het kind een eerste overweging te laten zijn. De rechtbank vraagt zich af of zij gehouden is om, in dit geval ambtshalve omdat partijen dit niet hebben gedaan, zich nader te vergewissen wat het belang van het kind is en te onderzoeken, op grond van het dossier en mogelijk door het benoemen van een deskundige, of een mogelijke overdracht aan België indruist tegen dit belang. Tot slot rijst de vraag wanneer in het hoofdgeding de overdrachtstermijn aanvangt. Verzoekster heeft door het enkele verzoeken om een voorlopige voorziening reeds opschortende werking verkregen en bereikt dat zij en haar kinderen niet kunnen worden overdragen aan België totdat de rechtbank (eind)uitspraak doet. Het verzoek om een voorlopige voorziening is niet toegewezen door de rechtbank en kan niet worden toegewezen met als doel om de overdrachtstermijn veilig te stellen omdat dit een rechtsmiddel is dat uitsluitend aan verzoekster toekomt. De rechtbank vraagt het Hof om te verduidelijken of in deze situatie de overdrachtstermijn aanvangt als de rechtbank uitspraak doet op het beroep of dat de overdrachtstermijn verloopt als zes maanden na de bevestiging van de kennisgeving van de terugname verstrijken voordat de rechtbank uitspraak doet. Indien het Hof arrest wijst na deze termijn wordt Nederland mogelijk verantwoordelijk vanwege het enkele tijdsverloop. De rechtbank stelt het Hof vier prejudiciële vragen en verzoekt het Hof om de vragen in de spoedprocedure te behandelen (PPU). De rechtbank verzoekt het Hof tevens om deze verwijzing te voegen met de verwijzing van 18 september 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:27252, C-1023/26 (PPU) – Midsen), omdat de vragen in de verwijzingen deels gelijkluidend zijn. In de onderhavige procedure stelt de rechtbank een aanvullende vraag over de beslissing om af te zien van een persoonlijk onderhoud als de verzoeker, of een van de verzoekers, minderjarig is. De behandeling van het beroep en het verzoek wordt geschorst totdat het Hof de vragen heeft beantwoord.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken