Rb. Den Haag 28 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:28787

Bewaring, grensdetentie, artikel 6, derde lid, Vw, iemand in transitie uit Rusland, ontbreken rechtsbijstand bij het gehoor, kwetsbaarheid als LHBTI, detentie is niet onevenredig bezwarend

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.54464
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer], eiseres
(verzocht om naamswijziging naar [naam])
(gemachtigde: mr. I.J.M. Oomen),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Procesverloop

Bij besluit van 14 september 2026 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 22 september 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen L.A. Remizova. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Op 24 september 2026 heeft de gemachtigde van eiseres onder meer een M113 naar de rechtbank gestuurd waaruit volgt dat de maatregel op 24 september 2026 is opgeheven omdat de zaak zich niet leent voor de grensprocedure.

De rechtbank heeft daarop het onderzoek heropend en op 25 september 2026 om 10:00 uur gesloten.

Overwegingen

1 Omdat de maatregel is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiseres schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

Recht op rechtsbijstand

2 Eiseres voert aan dat haar recht op rechtsbijstand is geschonden. Bij de screening is haar ten onrechte niet verteld dat zij recht heeft op juridische counseling en een advocaat heeft geen toegang tot de screeningslocatie. Als iemand geen asiel aanvraagt moet er wel een piketmelding worden gedaan en maakt het ontbreken daarvan een maatregel onrechtmatig. Het is dan ook onjuist dat een piketmelding niet gestuurd wordt als iemand wél asiel aanvraagt, terwijl zij naar hetzelfde grensdetentiecentrum gaat. In dit geval kreeg eiseres pas twee dagen later toegang tot een advocaat en daardoor is zij in haar belangen geschaad. Zij kon namelijk daardoor in het gehoor niet uitleggen dat zij kwetsbaar was en niet in bewaring kon worden gesteld. Een advocaat had haar bijvoorbeeld kunnen uitleggen dat zij in het detentiecentrum haar eigen medicatie niet mag gebruiken, zodat zij daar bezwaren over naar voren had kunnen brengen.

3 De rechtbank overweegt dat bij vrijheidsontneming op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw niet het beleid geldt zoals is neergelegd in paragraaf A5/6.6 van de Vreemdelingencirculaire. Voor de minister bestond daarom geen verplichting om een piketadvocaat in te schakelen. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt verder dat het verschil in beleid over rechtsbijstand voorafgaand aan inbewaringstelling op grond van artikel 59, 59a of 59b van de Vw en vrijheidsontneming op grond van artikel 6 van de Vw geen ongerechtvaardigd onderscheid in de zin van artikel 14 van het EVRM oplevert. Dit omdat de rechtvaardiging voor het onderscheid is gelegen in het grensbewakingsbelang en de geringere omvang van het gehoor. De rechtbank ziet in het bestaan van de Screeningsverordening geen aanleiding daarover nu anders te oordelen. De rechtbank is namelijk van oordeel dat in deze procedure niet kan worden beoordeeld of de screening volgens de regels van de Screeningsverordening is doorlopen, zoals of de screening is gebeurd door gekwalificeerd personeel of op een geschikte locatie is uitgevoerd. Wel moet de minister voorafgaand aan zijn afweging om de maatregel op te leggen zorgvuldig beoordelen of eiseres detentiegeschikt is en of sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken, waardoor een lichter middel op zijn plaats kan zijn. Dit zal de rechtbank hieronder beoordelen.

Onderzoek naar kwetsbaarheid voor de belangenafweging

4 Eiseres voert verder aan dat de bedoeling van het Asiel- en Migratiepact (hierna: het Pact) niet is om iedereen die aan de grens asiel aanvraagt te detineren, maar dat uitdrukkelijk wordt vermeld dat vreemdelingenbewaring een ultimum remedium is. De minister had daarom moeten onderzoeken of een lichter middel noodzakelijk of mogelijk is. Er moet worden onderzocht of er sprake is van kwetsbaarheden of bijzondere opvangbehoeften die maken dat iemand niet in vreemdelingenbewaring kan worden gesteld. Daarvoor vindt een screening plaats. De screening kan niet worden uitgevoerd door de Koninklijke marechaussee (Kmar) omdat dat geen gekwalificeerd medisch personeel is, als bedoeld in artikel 12 van de Screeningsverordening. Dat vindt daarom pas plaats in het detentiecentrum. Het is echter onjuist dat de screening pas wordt afgerond nadat iemand al in bewaring is gesteld, terwijl met de bevindingen rekening zou moeten worden gehouden bij het opleggen van de maatregel. Weliswaar is niet iedere LHBTI kwetsbaar, maar de minister moet het onderzoeken. In het geval van eiseres is vreemdelingenbewaring niet de aangewezen situatie. Zij is namelijk kwetsbaar omdat zij meerdere keren een hersenbloeding heeft gehad en hormoon medicatie gebruikt omdat ze in transitie zit. Dat maakt haar fysiek maar ook mentaal kwetsbaar, omdat ze in een moeilijke fase van haar leven zit. Zij had medicatie bij zich en heeft brieven van dokters in Rusland overgelegd die het hebben voorgeschreven, maar in het detentiecentrum mag zij die niet gebruiken en krijgt zij geen vrouwelijke hormonen. Dat heeft biologische maar ook mentale gevolgen. Ze heeft het recht om haar transitie te voltooien en het is ook psychisch schadelijk als het wordt gestopt door een overheid. Dat ze eindelijk vrouw mag worden waar ze jarenlang op heeft gehoopt, wordt haar afgenomen in het land waar zij om bescherming komt vragen.

5 Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.

6 De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt. Zoals de gemachtigde zelf ook al aangeeft vindt de medische screening plaats in het detentiecentrum en wordt dit verricht door het daar aanwezige medische personeel. De screening is dus nog niet geheel voltooid voordat de maatregel werd opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dat niet dat de maatregel onrechtmatig aan eiseres is opgelegd. Artikel 6, derde lid, van de Vw geeft de minister namelijk de bevoegdheid om een maatregel van vreemdelingenbewaring op te leggen op het moment dat aan de grens een asielwens is geuit en is besloten om de asielaanvraag in de asielgrensprocedure te behandelen. Dit volgt ook uit artikel 10, vierde lid, van de Opvangrichtlijn. De rechtbank sluit zich aan bij de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 30 juli 2026. Daarin is geoordeeld dat uit de Procedureverordening noch uit de Screeningsverordening volgt dat een geheel voltooide screeningsprocedure een noodzakelijke voorwaarde is voor een doorverwijzing naar de asielgrensprocedure. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding om te oordelen dat de minister de maatregel niet aan eiseres mocht opleggen voordat alle stappen van de screeningsprocedure zoals bedoeld in de Screeningsverordening zijn doorlopen. Zoals hiervoor al is overwogen kan in deze procedure niet worden beoordeeld of de screening volgens de regels van de Screeningsverordening is doorlopen, zoals of de screening is gebeurd door gekwalificeerd personeel of op een geschikte locatie is uitgevoerd.

6.1 Wel moet de minister voorafgaand aan zijn afweging om de maatregel op te leggen zorgvuldig beoordelen of eiseres detentiegeschikt is en of sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken, waardoor een lichter middel op zijn plaats kan zijn. Uit de maatregel blijkt dat de minister in zijn beslissing om een maatregel op te leggen en niet te kiezen voor een lichter middel, aan het grensbewakingsbelang een groot en doorslaggevend gewicht heeft toegekend. Dat mocht de minister volgens de rechtbank op zichzelf ook doen. De rechtbank is van oordeel dat de minister eiseres met de gestelde vragen over mogelijke bijzondere feiten of omstandigheden voldoende in de gelegenheid heeft gesteld om alles naar voren te kunnen brengen wat van belang kon zijn. De minister heeft dan ook aan de op hem rustende onderzoekplicht voldaan. Op deze vragen heeft eiseres geantwoord dat zij beroertes heeft gehad en hiervoor medicijnen krijgt. In het gehoor ten aanzien van de uitgestelde toegangsweigering heeft eiseres vermeld dat zij in transitie is. Ook heeft de verbalisant zijn eigen waarnemingen genoteerd. De medische dienst van het detentiecentrum wordt in alle maatregelen van bewaring gekwalificeerd geacht om te beoordelen of iemand detentieongeschikt is. De rechtbank ziet in wat eiseres aanvoert geen aanleiding daarover nu anders te oordelen. De minister heeft de genoemde omstandigheden betrokken en zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat eiseres detentieongeschikt is of dat de detentie onevenredig bezwarend is. De minister heeft terecht gewezen op vergelijkbare medische voorzieningen in grensdetentie. Dat eiseres medicatie is onthouden waardoor de maatregel onevenredig bezwarend is, volgt de rechtbank niet. Eiseres heeft namelijk zelf verklaard dat zij medicatie krijgt om beroertes tegen te gaan. Ook krijgt zij mannelijk hormoonremmers, anti-androgenen. Met betrekking tot de vrouwelijke hormonen, oestrogenen, die eiseres slikte voor haar transitie heeft zij aangegeven dat zij hierover in gesprek is gegaan met de medische dienst en dat dit nog niet tot resultaat heeft geleid. Nog daargelaten dat hieruit niet blijkt dat aan haar oestrogenen zullen worden geweigerd, heeft eiseres ook onvoldoende inzichtelijk gemaakt/onderbouwd dat het tijdelijk onthouden van oestrogenen maakt dat de maatregel op dit moment voor haar onevenredig bezwarend is. De minister heeft er daarbij op kunnen wijzen dat de door eiseres zelf meegenomen medicatie illegaal is en in Nederland en in het detentiecentrum niet gebruikt mag worden. Om in Nederland hormonen te krijgen voorgeschreven moet eerst een onderzoek plaatsvinden door een endocrinoloog. De minister heeft verder ter zitting toegelicht dat er zonodig een afdeling beschikbaar is op het detentiecentrum Schiphol voor LHBTI en kwetsbare personen. De minister heeft zich in het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de vrijheidsontnemende maatregel in de situatie van eiseres niet onevenredig bezwarend is.
7. De rechtbank heeft ter zitting ambtshalve aan de orde gesteld of op voorhand duidelijk kon zijn dat de asielaanvraag niet in de asielgrensprocedure kon worden afgedaan. De rechtbank is van oordeel dat dit niet bij aankomst op Schiphol al duidelijk kon zijn. De bewaringsrechter gaat niet over inhoudelijke beoordeling of kansrijkheid van de asielaanvraag. Er is onderzoek nodig om te bepalen of het mogelijk is om een beslissing te nemen als bedoeld in art 44, lid 1 Procedureverordening. Zo moet onderzocht worden of de transgenderidentiteit geloofwaardig is (daarover zijn in het gehoor van 20 september 2026 en een aanvullend gehoor van 24 september 2026 ook vragen gesteld), of sprake is van een mogelijk veilig derde land etc. De bewaringsrechter is niet bevoegd daarover een (voorlopige) beoordeling te maken en de rechtbank ziet dan ook geen aanleiding de beantwoording van de prejudiciële vragen daarover af te wachten.
8. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van opheffing daarvan onrechtmatig was.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. van Veelen, rechter, in aanwezigheid van S. Hitijahubessy - Brussaard, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken