ABRvS 2 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5077
Bij besluit van 6 juli 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Betrokkene is een staatloze Palestijn. Hij is op 6 juli 2026 per vliegtuig vanuit Turkije op Schiphol aangekomen, waar hij asiel heeft aangevraagd. De minister heeft hem in grensdetentie geplaatst op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000. Op 13 juli 2026 heeft de minister betrokkene gehoord over zijn asielmotieven. Op 15 juli 2026 heeft betrokkene correcties en aanvullingen ingediend. Op 17 juli 2026 heeft de minister de asielaanvraag ingewilligd, de grensdetentie uit eigen beweging opgeheven en betrokkene toegang tot Nederland verleend. De minister heeft de werkwijze die hij hanteert in een geval als dat van betrokkene opgenomen in werkinstructie (WI) 2026/23. Daarin staat dat het uitgangspunt is dat de asielaanvraag van iedere vreemdeling die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden uit de Schengengrenscode aanvankelijk in de asielgrensprocedure wordt behandeld, tenzij een van de genoemde uitzonderingen van toepassing is. Gedurende de behandeling van de aanvraag wordt de vreemdeling in grensdetentie geplaatst. Wanneer de minister concludeert dat de aanvraag niet verder kan worden behandeld in de asielgrensprocedure, wordt de vreemdeling toegang tot Nederland verleend en wordt de grensdetentie opgeheven. De Afdeling constateert dat deze werkwijze in feite ongewijzigd is gebleven bij het van toepassing worden van het Asiel- en migratiepact op 12 juni 2026.
De uitspraak op rechtspraak.nl