Rb. Den Haag 19 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:25374
asiel, opvolgende aanvraag, geloofwaardigheid, homoseksualiteit, identiteitsgroei, ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.46300
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. H.J. Janse),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. H.R. Nobel).
Samenvatting
1 Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van deze asielaanvraag.
1.1 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag in stand kan blijven. De werkinstructie 2024/6 is in overeenstemming met het Unierecht. Het gehoor opvolgende aanvraag is zorgvuldig verlopen. De minister heeft voldoende rekening gehouden met eisers referentiekader. Eiser heeft zijn gestelde identiteitsgroei niet aannemelijk gemaakt en heeft daarbij voldoende waarde gehecht aan de overgelegde verklaringen van derden. De minister heeft toegedichte homoseksuele gerichtheid niet hoeven aanmerken als asielmotief. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2 Eiser heeft op 10 augustus 2023 een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 17 september 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1 Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2 De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het besluit
3 De asielaanvraag die ten grondslag ligt aan deze procedure is de zevende asielaanvraag van eiser. Bij zijn eerste asielaanvraag heeft eiser verklaard dat hij uit Irak afkomstig is, de Iraakse nationaliteit heeft en dat hij problemen heeft gehad met ISIS en Hashd. Zijn asielaanvraag is afgewezen bij besluit van 24 februari 2016. Deze afwijzing is met de uitspraak in hoger beroep van 21 november 2016 onherroepelijk geworden. Bij zijn tweede asielaanvraag heeft eiser (voor het eerst) verklaard dat hij homoseksueel gericht is. De verklaringen van eiser over gerichtheid zijn ongeloofwaardig geacht. Dit heeft geleid tot het kennelijk ongegronde besluit van 12 februari 2018. Met de uitspraak in hoger beroep van 15 mei 2018 is ook deze afwijzing onherroepelijk geworden. Bij zijn derde asielaanvraag heeft eiser opnieuw aangevoerd dat hij homoseksueel gericht is. Zijn asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard bij besluit van 14 juni 2018. Op 12 juli 2018 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam het beroep ongegrond verklaard. Hiermee is dat besluit onherroepelijk geworden. Bij zijn vierde asielaanvraag heeft eiser opnieuw gesteld dat hij homoseksueel gericht is. Deze aanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond bij besluit van 20 augustus 2018. Eiser heeft zijn beroep tegen dit besluit ingetrokken. Bij zijn vijfde asielaanvraag heeft eiser zijn aanvraag niet volledig ingevuld, waardoor onduidelijk was waarom hij opnieuw een aanvraag indiende. Eiser verwees enkel naar gewijzigd beleid. Daarom is bij besluit van 9 april 2019 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard. Bij zijn zesde asielaanvraag was het aanvraagformulier nog steeds onvolledig ingevuld en verwees eiser enkel naar gewijzigd beleid. Bij besluit van 10 mei 2019 is deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard.
Het asielrelaas
4 Eiser legt aan zijn huidige en zevende asielaanvraag ten grondslag dat hij een identiteitsgroei heeft doorgemaakt.
Het bestreden besluit
5 Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Homoseksuele gerichtheid en identiteitsgroei.
5.1 De minister stelt zich hierover op het standpunt dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. Maar de minister acht de homoseksuele gerichtheid en identiteitsgroei van eiser ongeloofwaardig. Eiser heeft dit asielmotief niet onderbouwd met documenten en heeft het asielmotief niet aannemelijk gemaakt met zijn verklaringen hierover. Eiser voldoet niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000, omdat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.
Eiser verklaart op meerdere punten namelijk wisselend, vaag en tegenstrijdig. De minister concludeert dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is.
Is de Werkinstructie 2024/6 in strijd met het Unierecht?
6. Eiser betoogt dat de werkinstructie (WI) 2024/6 over geloofwaardigheidsbeoordelingen in asielzaken niet in overeenstemming is met artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn. In dit verband wijst eiser op de prejudiciële vragen van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 7 januari 2025. Daarnaast betoogt eiser, onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 8 augustus 2025, dat in die geloofwaardigheidsbeoordeling ten onrechte een integrale beoordeling ontbreekt.
6.1 Deze beroepsgrond slaagt niet. De meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats in haar uitspraken van 25 juni 2025 en 8 september 2025 tot het oordeel gekomen dat WI 2024/6 in overeenstemming is met het Unierecht. In wat eiser betoogt ziet de rechtbank geen grond voor een ander oordeel.
Is de procedure met betrekking tot de opvolgende aanvraag zorgvuldig verlopen?
7. Eiser betoogt dat hij tijdens het gehoor van zijn opvolgende aanvraag niet de kans kreeg om zich te uit te laten over eerdere gebeurtenissen in Irak en andere feiten voorafgaand aan zijn huidige asielaanvraag, waardoor hij werd verhinderd aanvullend te verklaren. Volgens eiser beperkt de minister hiermee de beoordeling teveel. De minister had eiser de ruimte moeten geven om te verklaren over zijn vroegere gevoelens, aangezien eerder is erkend dat hij daar moeite mee had. Het onderzoek had dan ook uitgebreid moeten worden naar de ervaringen uit de eerdere procedures. De minister had eiser niet mogen belemmeren in zijn wens hierover uit zichzelf te verklaren. Uit het arrest L.H. volgt dat een opvolgende aanvraag als een eerste aanvraag moet worden beoordeeld, inclusief de samenwerkingsverplichting van artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn, waarbij alle verklaringen en bewijsstukken moeten worden meegewogen. Ook oordeelde deze rechtbank, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch dat van de minister mag worden verlangd dat hij actief en welwillend onderzoekt of een vreemdeling in aanmerking kan komen voor bescherming en dat de samenwerkingsplicht niet minder strikt mag worden toegepast. Volgens eiser heeft de minister zijn taak bij de opvolgende aanvraag te beperkt ingevuld.
7.1 De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat de procedure rondom de opvolgende aanvraag van eiser zorgvuldig is verlopen. Het beroep op het arrest L.H. treft geen doel gelet op het volgende. De minister wijst er terecht op dat de eerdere asielaanvragen van eiser, waarin zijn homoseksuele gerichtheid en de gestelde problemen ongeloofwaardig zijn bevonden, inmiddels onherroepelijk zijn afgewezen. Een opvolgende aanvraag moet gebaseerd zijn op nieuwe feiten en omstandigheden, niet op een herhaling van eerdere verklaringen. Door de gehoormedewerker is tijdens het gehoor van de opvolgende aanvraag duidelijk gemaakt dat de focus ligt op de nieuwe elementen die eiser heeft aangedragen sinds de vorige asielaanvraag. Het is naar het oordeel van de rechtbank niet onzorgvuldig dat eiser er tijdens het gehoor op is gewezen dat het gehoor niet is bedoeld om verklaringen over eerdere (al beoordeelde) gebeurtenissen te herhalen. Dit betekent niet dat de eerdere verklaringen van eiser buiten beschouwing zijn gelaten. In het bestreden besluit is uitdrukkelijk overwogen dat het volledige dossier van eiser bij de beoordeling is betrokken. In het voornemen is door de minister meegewogen dat de verklaringen van eiser in een eerdere procedure niet alleen oppervlakkig, maar ook tegenstrijdig, ongeloofwaardig en inconsistent zijn. Uit het bestreden besluit blijkt dat zowel de verklaringen van eiser tijdens het gehoor opvolgende aanvraag als de documenten die eiser heeft ingediend zijn meegenomen in de beoordeling. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch leidt de rechtbank evenmin tot het oordeel dat het besluit onzorgvuldig tot is gekomen. In die zaak ging het om de vraag of een BMA-advies als een asielrechtelijk relevant element kan gelden bij een opvolgende asielaanvraag. Die zaak is niet vergelijkbaar met de zaak van eiser.
Heeft de minister voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser?
8. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. Eiser is van mening dat de minister te zware eisen stelt aan hetgeen hij wordt geacht te kunnen verklaren. Het is opmerkelijk dat de minister enerzijds erkent dat eiser eerder moeite had om zijn seksuele gerichtheid en gevoelens te verwoorden, maar anderzijds nu van hem verlangt dat hij gedetailleerd zijn persoonlijke verhaal over identiteitsgroei deelt. Eiser heeft binnen het gestelde referentiekader voldaan aan de redelijke verwachtingen door zijn persoonlijke ervaringen te delen over de ontwikkeling van zijn homoseksualiteit. Ter onderbouwing van dit betoog heeft eiser een rapport van Forensisch Maatwerk overgelegd waarmee hij stelt aannemelijk te hebben gemaakt dat hij gelet op zijn persoonlijkheid, culturele achtergrond, ervaringen, opleiding en trauma’s niet gedetailleerd(er) zijn diepere gevoelens kan benoemen en verwoorden. De minister heeft hier volgens hem onvoldoende rekening mee gehouden.
8.1 De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt allereerst vast dat de minister in het voornemen en het bestreden besluit kenbaar rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser. Eiser heeft verder in het formulier M35-O, waarmee hij zijn opvolgende asielaanvraag heeft ingediend, onder 4.28 zelf verklaard dat hij veel opener over zijn gerichtheid is geworden, dat hij steeds minder angstig is en meer vrijheid ervaart, en dat hij dat tijdens zijn gehoor zal toelichten. Eiser heeft verklaard dat hij in Irak heftige gebeurtenissen heeft aanschouwd, maar de minister merkt daarover in het voornemen terecht op dat hij niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe dat van invloed is op zijn vermogen om te kunnen verklaren over zijn persoonlijke beleving en ontwikkeling van homoseksuele gevoelens. Ook is in het gehoor rekening gehouden met de medische (mentale) klachten van eiser door regelmatig pauzes te houden en te checken hoe het met hem ging, en heeft eiser bij het gehoor zelf verklaard dat het goed met hem ging. Ten aanzien van het rapport van Forensisch Maatwerk overweegt de rechtbank dat de minister zich terecht op standpunt stelt dat eiser met het overgelegde rapport niet heeft onderbouwd dat hij niet in staat zou zijn om diepgaand en gedetailleerd te verklaren over zijn gestelde homoseksuele gerichtheid. Er is namelijk geen concreet diagnostisch onderzoek verricht om vast te stellen of eiser lijdt aan een of meer psychische stoornissen. De rapporteurs van Forensisch Maatwerk hebben vragen voorgelegd aan een psychiater, en deze heeft weliswaar verklaard dat er aanwijzingen bestaan voor psychische problematiek, maar dat nader diagnostisch onderzoek is vereist. De minister benadrukt daarom terecht dat de vermoedens van mogelijke stoornissen onvoldoende zijn om te kunnen concluderen dat deze de verklaringen van eiser beïnvloeden, met name over zijn gevoelens rondom zijn homoseksualiteit. Ook is onduidelijk welke specifieke onderdelen van zijn verklaringen hierdoor zouden zijn aangetast. Gelet op het voorgaande is niet gebleken dat eiser onvoldoende in staat is geweest om over zijn identiteitsgroei te verklaren.
Is eiser er in geslaagd zijn gestelde identiteitsgroei aannemelijk te maken?
9. Eiser voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hij er niet in is geslaagd om met zijn eigen verklaringen zijn identiteitsgroei aannemelijk te maken. Volgens eiser heeft hij wel degelijk duidelijk en persoonlijk verklaard, ook over zijn relatie met [persoon 1] : wat hij aantrekkelijk aan hem vindt, waar ze over praten, waar ze van dromen, wat hij doet en waar hij bang voor is. Dat zijn ontwikkeling oppervlakkig en algemeen zou zijn, zoals de minister overweegt, bestrijdt eiser. Hij vindt dat de minister een te strenge maatstaf hanteert. Ook verwacht de minister volgens eiser te veel van de verklaringen over [persoon 2] , terwijl eiser hem vooral ziet als vaste sekspartner en niet als zijn ‘echte’ partner. Een meer feitelijke verklaring ligt dan voor de hand, omdat seksuele details geen onderwerp van het gehoor zijn. Eiser wijst ter onderbouwing van zijn betoog op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 september 2021, waarin is overwogen dat de mate waarin iemand zijn gerichtheid onder woorden kan brengen per persoon verschilt, en dat niet iedere vreemdeling gewend is om over persoonlijke ervaringen en gevoelens te spreken.
9.1 Niet in geschil is dat eiser zijn verklaringen over zijn homoseksualiteit en identiteitsgroei niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.
Eerdere procedures
9.2 De minister wijst er terecht op dat eisers homoseksuele gerichtheid in eerdere procedures als ongeloofwaardig is beoordeeld, vanwege inconsistenties en vage, algemene verklaringen over eisers ontwikkeling van zijn homoseksuele gerichtheid, relaties, contacten met andere lhbti’ers en de invloed van zijn religie. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 9 april 2018 bevestigd dat het onderzoek destijds zorgvuldig was. In die uitspraak heeft de rechtbank kritiek die was geuit in een onderzoeksrapport van LHBT Asylum Support op gebruikte terminologie als ‘acceptatie’ en ‘bewustwording’ niet gevolgd, aangezien het gaat om de inhoud van eisers verklaringen.
De minister wijst er overigens terecht op dat de informatie uit het bij de asielaanvraag gevoegde rapportage identiteitsgroei van LHBT Asylum Support van juli 2023, niet volledig uit 2023 komt, zoals eiser beweert, maar dat de relevante gesprekken met [persoon 3] al in 2018 plaatsvonden. Hierdoor kunnen deze gesprekken eisers gestelde recente identiteitsgroei niet onderbouwen. Aangezien dit de zesde asielprocedure (waarvan de tweede inhoudelijke) is met homoseksuele gerichtheid als asielmotief, mocht de minister van eiser een meer consistent en gedetailleerd verhaal verwachten. Eisers verklaringen over persoonlijke groei zijn voor de minister terecht geen aanleiding geweest om de eerdere conclusies te herzien, gelet op wat de rechtbank hierna onder 9.3 en verder overweegt.
Verklaringen over de gestelde identiteitsgroei
9.3 De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser niet overtuigend heeft getoond hoe zijn seksuele identiteit is gegroeid. In de WI 2019/17 wordt benadrukt dat het onderzoek naar lhbti-gerichte asielmotieven zich richt op de authentieke ervaringen van de vreemdeling. De minister wijst er terecht op dat de eisers verklaringen over zijn identiteitsgroei oppervlakkig en algemeen blijven. Eiser beschrijft zijn verandering als een overgang van een leven waarin hij zichzelf niet kon zijn naar een situatie in Nederland waar hij nu vrij is. Maar wanneer hem wordt gevraagd naar concrete voorbeelden, blijft eiser vaag. Hij verklaart dat hij heeft geleerd zichzelf te zijn, maar kan niet verduidelijken hoe dit proces heeft plaatsgevonden of welke gebeurtenissen daaraan hebben bijgedragen. Zijn verwijzingen naar vrienden en seksuele relaties bieden volgens de minister geen inzicht in de emotionele impact van zijn groei. Hoewel eiser herhaaldelijk aangeeft nu meer vrijheid te voelen en open te kunnen zijn, slaagt hij er niet in om dit concreet te koppelen aan de ontwikkeling van zijn homoseksuele identiteit. Daarnaast stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser bij het uitleggen van de emotionele impact van zijn ontwikkeling in identiteit vaag blijft. Hij zegt zich nu ‘vrij’ te voelen, maar kan geen details geven over hoe deze vrijheid hem emotioneel heeft beïnvloed. Wanneer gevraagd naar zijn gevoelens, blijft hij steken in algemene termen zoals ‘blij’ zijn en ‘alles durven zeggen’, zonder verder in te gaan op de diepere emoties die gepaard gaan met zelfacceptatie. Gelet op het feit dat eiser inmiddels tien jaar in Nederland verblijft, mocht de minister van hem verwachten dat hij zijn gevoelens en de groei van zijn identiteit op een gedetailleerde en overtuigende manier kan onderbouwen.
Verklaringen over activiteiten in Nederland
9.4 De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser niet inzichtelijk maakt wat zijn activiteiten in Nederland voor hem persoonlijk betekenen. In de correcties en aanvullingen vertelt eiser dat hij naar het COC ging om te leren en mensen te ontmoeten, maar in het gehoor benadrukt eiser vooral het belang van feesten - zoals bij Ruigoord, privéfeesten en de pride - als manieren om zijn seksuele gerichtheid uit te drukken. Eiser geeft aan veel te leren van deze feesten, maar blijft vaag over de bijdragen daarvan aan zijn identiteitsgroei. Eiser betoogt dat hij veel heeft geleerd van anderen, zoals geduld en het vermogen om rustig te blijven. Maar hij slaagt er niet in om concreet te maken welke gevoelens of innerlijke veranderingen deze lessen bij hem teweeg hebben gebracht. Ook zijn zijn verklaringen over Ruigoord vaag. Eiser zegt dat hij zich daar vrij voelt, omringd door mensen die hem accepteren, maar deze gevoelens zijn niet specifiek verbonden aan zijn homoseksuele gerichtheid. Ze kunnen net zo goed voortkomen uit algemene acceptatie en openheid. Als door de gehoormedewerker verder wordt doorgevraagd over wat dit voor eiser betekent, geeft hij geen persoonlijk inzicht, maar herhaalt hij dat het niet uitmaakt dat hij geen verblijfstatus heeft en dat hij zich welkom voelt. De minister wijst er terecht op dat de feesten en het seksueel contact dat eiser beschrijft vooral feitelijk van aard zijn. Niet is duidelijk geworden hoe deze ervaringen hebben bijgedragen aan een groei in eisers homoseksuele gerichtheid. Eiser heeft niet inzichtelijk gemaakt wat zijn motivatie is om naar deze feesten te gaan of wat hij daar specifiek heeft geleerd over zichzelf. Ondanks meerdere kansen om dit verder toe te lichten, blijft hij vaag. Van eiser had verwacht mogen worden dat hij, na jaren van deelname, een meer gedetailleerd en authentiek verhaal zou kunnen geven over de impact van deze ervaringen op zijn identiteitsgroei.
Verklaringen over (seksuele) relaties
9.5 De minister stelt zich ook terecht op het standpunt dat eisers verklaringen over (seksuele) relaties onvoldoende inzicht geven in de emotionele betekenis en zijn persoonlijke beleving met betrekking tot zijn identiteitsgroei. Eiser heeft verklaard dat hij meerdere relaties gehad, waaronder met [persoon 2] en [persoon 1] , maar de uitleg over deze relaties is grotendeels feitelijk en mist diepgang. Over [persoon 2] vertelt eiser dat hij hem vijf à zes jaar geleden leerde kennen bij een autogarage. Eiser zegt dat [persoon 2] vaak bij hem langskwam en hem aanraakte, maar geeft geen inzicht in hoe hun relatie zich verder ontwikkelde, vooral omdat [persoon 2] getrouwd is met een vrouw. Eiser verklaart wel dat [persoon 2] bij hem kwam om over zijn problemen thuis te praten, maar kan niet toelichten wat de problemen van [persoon 2] met zijn vrouw inhouden. Ook een hotelovernachting, waarvan alleen de naam van [persoon 2] op het reserveringsbewijs staat, levert geen overtuigend bewijs voor de geloofwaardigheid van eisers verhaal. Eiser geeft wel aan dat hij met [persoon 2] een relatie heeft, maar de minister stel terecht dat het onduidelijk blijft wat die relatie voor hem betekent, zowel op emotioneel als identiteitsniveau.
9.6 Over de relatie met [persoon 1] geeft eiser aan dat het emotionele aspect belangrijker was, maar blijft de uitleg oppervlakkig, zoals de minister terecht stelt. Eiser heeft verklaard over hun ontmoeting, maar hij legt niet uit wat hem precies aantrok in [persoon 1] en waarom hij onmiddellijk verliefd werd. Ook van de overige verklaringen over [persoon 1] jaloezie en hun interacties zoals het gezamenlijk slapen is de rechtbank van oordeel dat deze een feitelijk karakter hebben. De rechtbank constateert dat als er tijdens het gehoor werd doorgevraagd naar concrete voorbeelden van hun relatie, het antwoord van eiser vaag blijft en weinig inzicht biedt in de diepgang van de band tussen eiser en [persoon 1] . Als aan eiser wordt gevraagd om een voorbeeld te noemen waaruit blijkt dat [persoon 1] vriendelijk en lief is, verklaart eiser alleen dat [persoon 1] hem roept om te eten. Over een gezamenlijke toekomst verklaart eiser dat hij zich een toekomst met huis en hond voor zich ziet. De minister wijst er terecht op dat dit geen inzicht geeft in de diepere gevoelens van eiser.
9.7 Ook werpt de minister eiser terecht tegen dat er inconsistenties zijn in eisers verklaringen, zoals tegenstrijdige uitspraken over het wel of niet aan [persoon 1] verteld hebben over seksuele relaties met anderen. Dit maakt eisers verhaal minder geloofwaardig. Ook de beschrijving van de relaties van eiser met [persoon 4] en [persoon 5] merkt de minister terecht aan als oppervlakkig. Eiser vertelt dat hij met hen seksuele relaties had, maar kan niet goed uitleggen wat deze relaties voor hem betekenen op emotioneel niveau. In het algemeen blijft eisers uitleg over zijn relaties feitelijk en oppervlakkig, zonder de persoonlijke reflectie die nodig is om zijn identiteitsgroei overtuigend te onderbouwen.
Verklaringen van lhbti-vrienden
9.8 De minister stelt terecht dat de verklaringen van eisers lhbti-vrienden geen invloed hebben op het eerder door hem ingenomen standpunt, omdat ze subjectief zijn en geen objectief bewijs leveren. Dergelijke verklaringen kunnen hoogstens als steunbewijs dienen, maar de focus ligt altijd op eisers eigen verklaringen, die op dit moment onvoldoende overtuigend zijn. De brieven kunnen dus niet de gestelde groei in zijn homoseksuele gerichtheid ondersteunen. Daarnaast wijst de minister terecht op onduidelijkheden in de brief van [persoon 6] . Deze spreekt over een incident waarbij eiser zichzelf beschermde, maar er wordt geen relatie gelegd tussen [persoon 6] en de aanvaller, zoals eiser eerder beweerde. Ook wordt eisers seksuele gerichtheid in de brief als biseksualiteit omschreven, terwijl eiser zich in de huidige opvolgende asielprocedure als homoseksueel presenteert, wat de geloofwaardigheid van deze verklaring aantast. De brief van [persoon 4] herhaalt vooral het begin van hun relatie en biedt geen nieuwe inzichten in eisers ontwikkeling van zijn homoseksualiteit. Daarom heeft de minister weinig waarde hoeven hechten aan deze brieven als bewijs voor de gestelde identiteitsgroei.
Foto’s
9.9 Verder stelt de minister zich terecht op het standpunt dat de foto’s niet bijdragen aan de geloofwaardigheid van eisers homoseksuele gerichtheid. Ze tonen weliswaar dat eiser evenementen binnen de lhbti-gemeenschap bezoekt, maar dat is geen bewijs voor zijn seksuele gerichtheid. Foto’s zijn slechts momentopnames en geven geen inzicht in eisers persoonlijke beleving. Aangezien de verklaringen van eiser onvoldoende zijn, hoefden deze foto’s de minister niet tot een ander standpunt te brengen met betrekking tot de gestelde homoseksualiteit van eiser. De rechtbank is van oordeel dat de informatie die eiser in deze procedure heeft aangeleverd, niet opweegt tegen de eerder geuite twijfels over de geloofwaardigheid van zijn seksuele gerichtheid. Bij de beoordeling staat zijn persoonlijke beleving centraal. Hoewel eiser zegt beter over zijn gevoelens te kunnen praten en veel geleerd te hebben van de lhbti-gemeenschap en zijn relaties, blijft het onduidelijk hoe hij (daardoor) daadwerkelijk is gegroeid in zijn homoseksuele gerichtheid. Zijn opsomming van feesten, relaties en algemene verklaringen leggen niet uit hoe of waarom deze ervaringen hebben bijgedragen aan een verandering in zijn seksualiteit. De foto’s en verklaringen bieden geen inzicht in de ontwikkeling van eisers gerichtheid.
Afsluiting
9.10 De minister heeft zich op grond van het voorgaande terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet voldoet aan artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000. Daarom hoefde de minister niet uit te gaan van de geloofwaardigheid van eisers verklaringen over zijn identiteitsgroei. De beroepsgrond slaagt niet.
Moest de minister de toegedichte homoseksuele gerichtheid als derde asielmotief beoordelen en heeft hij ten onrechte te weinig waarde gehecht aan derdenverklaringen?
10. Eiser voert aan dat de door hem gestelde toegedichte homoseksuele gerichtheid als derde asielmotief moet worden aangemerkt en beoordeeld. Hij loopt het risico op vervolging in Irak vanwege dit motief. Zijn familie is achter zijn seksuele gerichtheid gekomen. Zijn moeder heeft eiser gewaarschuwd in een bericht en vertelde [persoon 7] , een oude buurjongen van eiser in Irak, over de situatie. [persoon 7] heeft als ooggetuige een verklaring gestuurd met informatie over wat hij in Irak heeft gezien en gehoord. Eiser is het niet eens met de minister dat deze documenten niet de waarde krijgen die eiser daaraan gehecht wenst te zien. De minister miskent dat in het bestuursrecht de vrije bewijsleer geldt en dat alles in de beoordeling moet worden meegenomen. Objectieve bewijzen wegen misschien zwaarder, maar getuigenverklaringen zoals die van [persoon 7] moeten ook serieus worden genomen. Eiser wijst ter onderbouwing van zijn betoog op drie uitspraken van de Afdeling en uitspraken van rechtbanken.
10.1 De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat de door eiser gestelde toegedichte homoseksuele gerichtheid geen afzonderlijk asielmotief is dat apart moet worden behandeld. De minister wijst er terecht op dat in rechte vast staat dat de door eiser gestelde homoseksuele gerichtheid ongeloofwaardig is en ook dat eiser daardoor problemen heeft ondervonden in Irak, terwijl zijn familie op de hoogte is geraakt van de door eiser gestelde gerichtheid. Hier komt bij dat de informatie hierover in deze opvolgende aanvraag niet afkomstig is van objectieve, verifieerbare bronnen. Wat betreft het bericht van de moeder van eiser, merkt de minister terecht op dat de vertaalde tekst geen naam bevat en enkel een losse vertaling is. Het is onduidelijk wie het bericht heeft gestuurd, waar het vandaan komt of wat de aanleiding was. Bovendien staat er niks over homoseksualiteit in het bericht. Dit geldt ook voor de brief van [persoon 7] , een verklaring van een derde, die in relatie tot de verklaringen van eiser zelf weinig gewicht heeft. Aangezien de verklaringen van eiser over zijn homoseksualiteit evenals de problemen die hij stelt te hebben ondervonden niet geloofwaardig zijn, bieden de overgelegde documenten onvoldoende basis om te oordelen dat de minister toegedichte homoseksuele gerichtheid als afzonderlijk asielmotief had moeten beoordelen . Er is dan ook geen sprake van een motiveringsgebrek.
Conclusie en gevolgen
11 Het beroep is ongegrond. De minister heeft de opvolgende asielaanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag in stand kan blijven. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.T. Brandsma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Rb. Den Haag 8 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16613
- Rb. Den Haag 8 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14853
- Rb. Den Haag 25 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11149
- Rb. Den Haag 7 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:136
- Rb. Den Haag 7 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:139
- Rb. Den Haag 9 februari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:2212
- Rb. Den Haag 5 december 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:18846
- Rb. Den Haag 29 november 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:18657
- Rb. Den Haag 28 februari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:2283
- ABRvS 15 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1706
- ABRvS 1 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2675
- ABRvS 2 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1982
- ABRvS 4 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1754
- Rb. Den Haag 14 juni 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:6064