Rb. Den Haag 1 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:14768
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om erkenning als referent voor het verblijfsdoel ‘uitwisseling.’ Deze erkenning is vereist om te mogen functioneren als bemiddelingsorganisatie voor buitenlandse au pairs. De minister wijst de aanvraag van eiseres af op grond van artikel 2e, eerste lid, aanhef en onder c van de Vw in samenhang met artikel 1.19 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Subsidiair wijst de minister de aanvraag van eiseres af op basis van artikel 2e, eerste lid, aanhef en onder e van de Vw, in samenhang met artikel 1.14 van het Vb. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van de minister niet in stand kan blijven. De rechtbank overweegt dat noch uit de wettekst, noch uit de Memorie van Toelichting volgt dat twijfel aan het doel van de onderneming zou kunnen of moeten leiden tot twijfel aan de betrouwbaarheid van de onderneming als bedoeld in artikel 2e, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw. Eiseres stelt zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt dat de minister een afwijzingsgrond gebruikt, terwijl deze daar niet voor is bedoeld, gezien de uitwerking in artikel 1.19 van het Vb.
De uitspraak op rechtspraak.nl