Rb. Den Haag 29 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:25445

Prejudiciële vraag 15c richtlijn 2011/95 / Syrië – Eiser komt uit Ruraal Damascus in Syrië en heeft op 16 maart 2023 een asielaanvraag ingediend – De rechtbank heeft in deze procedure reeds twee tussenuitspraken gedaan en het geschil deels beoordeeld. De rechtbank moet nu bepalen wat het niveau van willekeurig geweld is om te beoordelen of aan eiser door toepassing van de zogenoemde ‘glijdende schaal’ subsidiaire bescherming moet worden verleend. Uit het AAB Syrië 2025 en EUAA-rapporten blijkt dat sprake is van een ernstige humanitaire crisis. Op grond van het beleid dat verweerder voert worden humanitaire omstandigheden niet betrokken bij de beoordeling van het niveau van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict. Het Hof heeft in een eerdere verwijzing uit 2022 de vraag of humanitaire omstandigheden, die een (in)direct gevolg van handelen en/of nalaten van een actor van ernstige schade zijn, betrokken dienen te worden bij de beoordeling of een verzoeker behoefte aan subsidiaire bescherming niet inhoudelijk beantwoord. De Afdeling heeft op 16 juli 2025 in procedures waarin het niveau van willekeurig geweld in Jemen onderwerp van geschil was geoordeeld dat humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade die partij is bij een gewapend conflict als relevante omstandigheid bij deze globale beoordeling moeten worden betrokken. De rechtbank is het eens met dit door de Afdeling uiteengezette beoordelingskader. In de onderhavige procedure is in dit verband echter door het standpunt dat verweerder inneemt een andere rechtsvraag gerezen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het actor-vereiste zodanig strikt moet worden uitgelegd dat alleen humanitaire omstandigheden die een gevolg zijn van willekeurig geweld dat is uitgeoefend door strijdende partijen die deelnemen aan het thans aan de gang zijnde conflict hoeven te worden betrokken bij 15c. Volgens verweerder is Assad door de val van zijn regime geen actor meer in het gewapende conflict en kunnen de humanitaire omstandigheden die zijn veroorzaakt vóór de val van Assad daarom buiten beschouwing worden gelaten. De rechtbank vraagt zich af of deze strikte toepassing van het actor-vereiste verenigbaar is met de subsidiaire beschermingsregeling. Uit de landeninformatie kan niet worden afgeleid welke actor van ernstige schade wanneer welke humanitaire omstandigheden heeft veroorzaakt door handelen of door nalaten. Tevens is niet vast te stellen in hoeverre de droogte mede de humanitaire crisis heeft veroorzaakt. De strikte toepassing van het actor-vereiste, zoals door verweerder bepleit, brengt een onevenredige bewijslast voor eiser mee. Voor verweerder, die gelet op de samenwerkingsplicht gehouden is om zo nodig actief met eiser samen te werken, zal een strikte toepassing van het actor-vereiste tot vergelijkbare problemen leiden. Indien er geen gewapend conflict is of indien gedurende een dergelijk conflict geen sprake is van willekeurig geweld, bestaat er geen aanspraak op subsidiaire bescherming op grond van artikel 15c van richtlijn 2011/95. Tegelijkertijd heeft echter te gelden dat de actuele situatie waarin eiser na terugkeer zou komen te verkeren moet worden beoordeeld en dat het besluit waarin de asielaanvraag van eiser is afgewezen, bovendien een terugkeerbesluit omvat. De bescherming tegen refoulement die de Uniewetgever in richtlijn 2008/115 heeft verankerd, heeft een absoluut karakter en kent geen actor-vereiste. De rechtbank meent dat een minder strikte toepassing van het actor-vereiste bij het bepalen van het niveau van willekeurig geweld in die zin dat alle humanitaire omstandigheden die een gevolg zijn van willekeurig geweld in het kader van een ononderbroken gewapend conflict bij deze beoordeling moeten worden betrokken, een redelijke en aanvaardbare uitlegging van artikel 15c van richtlijn 2011/95 is. Ten aanzien van de in deze procedure opgekomen rechtsvraag is inmiddels sprake van divergentie in de lagere rechtspraak. De lidstaten passen artikel 15c van richtlijn 2011/95 ten aanzien van de vraag of humanitaire omstandigheden, die een (in)direct gevolg van handelen en/of nalaten van een actor van ernstige schade zijn dienen te worden betrokken bij de beoordeling van het niveau van willekeurig geweld, bovendien niet uniform toe. De rechtbank stelt een prejudiciële vraag aan het Hof om een einduitspraak in de onderhavige procedure te kunnen doen en doet het Hof een voorstel voor beantwoording van deze vraag. De behandeling van het beroep wordt aangehouden totdat het Hof de prejudiciële vraag heeft beantwoord.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken