Rb. Den Haag 28 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:19487
Opzegging van een arbeidsovereenkomst binnen proeftijd. Werknemer heeft feiten aangevoerd die doen vermoeden dat het proeftijdontslag is gegeven omdat werknemer vanuit zijn geloofsovertuiging niet de hand van een vrouwelijke collega wilde schudden. Werkgever is er niet in geslaagd om dat vermoeden te ontkrachten. Dat betekent dat de werkgever indirect onderscheid heeft gemaakt waarvoor naar het oordeel van de kantonrechter geen objectieve rechtvaardiging bestaat. De opzegging van de arbeidsovereenkomst is daarom ongeldig en werknemer heeft recht op een billijke vergoeding.
De uitspraak op rechtspraak.nl