Rb. Den Haag 17 april 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:5964

Intrekking verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij familie-of gezinslid omdat uit onderzoek door de AVIM is gebleken dat sprake is van een schijnhuwelijk. Naar het oordeel ontbreekt een wettelijke bevoegdheidsgrondslag voor het verrichte onderzoek. Het bewijs dat door de AVIM is verkregen is om die reden onrechtmatig. Naar het oordeel van de rechtbank druist de handelswijze van verweerder niet zozeer tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat verweerder de processen-verbaal niet aan zijn besluitvorming ten grondslag mocht leggen. Wel is er sprake van een motiveringsgebrek, maar de rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Op grond van deze processen-verbaal heeft verweerder terecht en deugdelijk gemotiveerd geconcludeerd dat sprake is van een schijnhuwelijk. De verblijfsvergunning is dus terecht met terugwerkende kracht ingetrokken. Het beroep is ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken