Rb. Den Haag 17 april 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:5964
Intrekking verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij familie-of gezinslid omdat uit onderzoek door de AVIM is gebleken dat sprake is van een schijnhuwelijk. Naar het oordeel ontbreekt een wettelijke bevoegdheidsgrondslag voor het verrichte onderzoek. Het bewijs dat door de AVIM is verkregen is om die reden onrechtmatig. Naar het oordeel van de rechtbank druist de handelswijze van verweerder niet zozeer tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat verweerder de processen-verbaal niet aan zijn besluitvorming ten grondslag mocht leggen. Wel is er sprake van een motiveringsgebrek, maar de rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Op grond van deze processen-verbaal heeft verweerder terecht en deugdelijk gemotiveerd geconcludeerd dat sprake is van een schijnhuwelijk. De verblijfsvergunning is dus terecht met terugwerkende kracht ingetrokken. Het beroep is ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188
- ABRvS 21 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3567
- ABRvS 19 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2357
- Rb. Den Haag 16 december 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:15127
- ABRvS 9 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3231
- ABRvS 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2006
- ABRvS 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:360
- ABRvS 6 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2434
- EHRM 13 december 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD004173810
- EHRM 15 maart 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:0315JUD003996609
- ABRvS 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:464
- ABRvS 20 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1597
- EHRM 3 oktober 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810
- HR 23 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8218
- Hof Amsterdam 25 juli 2002, ECLI:NL:GHAMS:2002:AE7514
- Europees Hof voor de Rechten van de Mens 5 oktober 2000, ECLI:NL:XX:2000:AD4680
- HR 24 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2719
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2018:308