Rb. Den Haag 24 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:21900

Vovo tegen verleende ontheffing van verboden op grond van Wnb voor het (1) jaarrond vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of verblijfplaatsen van de vos en (2) vangen en doden van de vos afgewezen. Het college heeft met de verwijzing naar het faunabeheerplan aannemelijk gemaakt dat de verleende ontheffing bijdraagt aan het belang van de bescherming van de populaties van de zilvermeeuw en de kleine mantelmeeuw in het havengebied van Rotterdam en dat vossen graafschade kunnen veroorzaken aan onder meer de taluds van wegen, spoorwegen, waterkeringen en tankdijken. Het college heeft ook aannemelijk gemaakt dat er geen andere bevredigende oplossing voor het voorkomen van graafschade is dan het vernielen van vaste voortplantings- en rustplaatsen van de vos. Deze voorlopige voorzieningprocedure leent zich niet voor een beoordeling van de vraag of het begrip ‘andere bevredigende oplossing’ gelet op de “Richtsnoeren van de Europese Commissie inzake de strikte bescherming van diersoorten van communautair belang uit hoofde van de habitatrichtlijn” in dit geval zo moet worden uitgelegd dat éérst alle mogelijke rasters moeten worden geplaatst vóórdat het college de ontheffing voor het vangen en doden van de vos kan verlenen. De voorzieningenrechter weegt het belang bij bescherming van de meeuwenpopulaties zwaarder dan het belang bij bescherming van de vos.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken