Rb. Den Haag 7 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:18269
Arrest Ararat – actuele beoordeling refoulementrisico vóór opleggen (elk) terugkeerbesluit & verplichte ambtshalve beoordeling door de rechter – tussenuitspraak na beantwoording van de prejudiciële vragen van de rechtbank – De rechtbank concludeert dat de in bezwaar gehandhaafde afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van de Afsluitregeling in rechte stand houdt. Dit besluit is een meeromvattende beschikking en omvat dus een terugkeerbesluit. Uit het arrest Ararat volgt dat verweerder verplicht is om te onderzoeken of de schorsing van het eerder opgelegde terugkeerbesluit kan worden beëindigd en de rechtsgevolgen kunnen herleven. Dit onderzoek vereist een actuele beoordeling van het refoulementrisico. Eiseressen hebben in de onderhavige reguliere procedure verklaard ‘verwesterd’ te zijn. Deze verklaring is niet onderzocht in het licht van het refoulementverbod, maar verweerder had dat wel moeten doen. Anders dan eiseressen stellen heeft het arrest Ararat niet tot gevolg dat het bestreden besluit integraal moet worden vernietigd. De prejudiciële vragen hadden uitsluitend betrekking op het terugkeerbesluit. De nadere uitleg door het Hof van de Terugkeerrichtlijn en het Handvest van de Grondrechten regardeert dus het besluit voor zover dit ziet de beoordeling van de gevraagde verblijfsvergunningen niet. Verweerder moet op grond van het arrest Ararat alsnog een actuele beoordeling maken van het refoulementrisico en heeft daartoe een verweerschrift uitgebracht. Anders dan eiseressen ter zitting hebben aangevoerd, vereist het moeten verrichten van een actuele beoordeling van het refoulementrisico niet steeds dat er opnieuw moet worden gehoord en/of er een nieuw terugkeerbesluit moet worden genomen. Het is afhankelijk van de concrete feiten en omstandigheden of kan worden volstaan met het uitbrengen van een verweerschrift om het reeds eerder genomen terugkeerbesluit in overeenstemming met het arrest Ararat te actualiseren of dat aanvullend zal moeten worden gehoord om het refoulementrisico grondig te onderzoeken. Eiseressen hebben hun verklaring dat zij zijn verwesterd tot op heden niet onderbouwd en ook tot op heden niet uitgelegd of en in hoeverre zij hierdoor vrezen na terugkeer naar Armenië in een met artikel 3 EVRM-strijdige situatie te geraken. Hoewel verweerder ten tijde van het uitbrengen van het verweerschrift naar aanleiding van het arrest en tijdens de voortgezette behandeling ter zitting op 31 oktober 2024, ook niet beschikte over nadere verklaringen van eiseressen, overweegt de rechtbank dat de actuele refoulementbeoordeling niet volledig is omdat eiseressen geen nadere toelichting hebben gegeven. Het beoordelen van het refoulementrisico behelst niet alleen de beoordeling van de algemene situatie in het land van herkomst, maar vereist ook een geïndividualiseerde risicotaxatie als onderdeel van de refoulementbeoordeling. Omdat de rechtbank de voortzetting van het onderzoek ter zitting twee weken na het wijzen van het arrest van het Hof heeft geagendeerd en omdat de rechtbank het noodzakelijk acht om het refoulementrisico grondig en in volle omvang te kunnen (laten) onderzoeken en te kunnen (laten) beoordelen alvorens (eind)uitspraak te doen, zal de rechtbank een tussenuitspraak doen. Eiseressen hoeven in het kader van de terugkeerprocedure niet aannemelijk te maken dat zij in aanmerking dienen te worden gebracht voor internationale bescherming. Eiseressen worden in staat gesteld om nadere feiten en omstandigheden aan te dragen die verband houden met hun stelling dat zij zijn verwesterd, zodat kan worden beoordeeld of verweerder een uitgebreidere beoordeling van het refoulementrisico moet verrichten op grond van deze nadere onderbouwing
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Rb. Den Haag 4 juli 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:10280
- ABRvS 7 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1920
- ABRvS 8 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1424
- ABRvS 22 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4785
- Rb. Den Haag 13 november 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:17271
- Rb. Den Haag 13 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:3154
- ABRvS 28 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:751
- ABRvS 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2290
- Rb. Den Haag 22 oktober 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:11524
- EHRM 28 juli 2020, ECLI:CE:ECHR:2020:0728JUD002540214
- EHRM 4 december 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:1204JUD004701709
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2021:9
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2022:913
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2023:114
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2023:540
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2024:413
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2024:487
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2024:892