Rb. Den Haag 1 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:18071

[Turkije, zelfstandige mvv-vereiste, standstillbepaling, evenredigheidsbeginsel] Het hanteren vanaf 1 oktober 2022 van het zelfstandige mvv-vereiste is een beperking als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol. Deze beperking vindt echter rechtvaardiging in een dwingende reden van algemeen belang. Met het door hem benoemde doel van het effectief beheer van migratiestromen heeft de minister voldoende gemotiveerd dat dwingende redenen aanwezig zijn voor aanscherping van het mvv-vereiste. De minister heeft ook deugdelijk gemotiveerd dat het zelfstandige mvv-vereiste geschikt is om verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen. Deze maatregel stelt de minister namelijk in staat om voorafgaand aan de feitelijke binnenkomst van de Turkse staatsburger te onderzoeken of deze aan alle voor zijn toelating geldende vereisten voldoet. Hierdoor worden de migratiestromen op een efficiënte manier gecontroleerd en dit draagt bij aan de voorkoming van illegale arbeid en illegaal verblijf. Het zelfstandige mvv-vereiste is verder op zichzelf niet in strijd is met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. Zoals de minister terecht stelt wordt met het doorlopen van de mvv-procedure buiten Nederland namelijk illegaal verblijf daadwerkelijk voorkomen. Ook kan daarmee worden voorkomen dat louter door de duur van de aanvraag- en vervolgprocedures in Nederland verblijfsaanspraken ontstaan of banden met Nederland worden opgebouwd of daarover geprocedeerd gaat worden. Beoordeeld moet echter ook worden of de regels voor de uitvoering van een dergelijke verplichting niet verder gaan dan noodzakelijk is om het nagestreefde doel te verwezenlijken. Bij die beoordeling is de inrichting van de nationale regeling van belang. De rechtbank is van oordeel dat het betoog dat het zelfstandige mvv-vereiste in de praktijk er toe leidt dat een Turkse zelfstandige nooit een mvv zal krijgen omdat hij vanuit Turkije niet aan alle voorwaarden kan voldoen, niet slaagt. Voorwaarden waaraan een vreemdeling wegens zijn verblijf in het buitenland niet kan voldoen, zoals de inschrijving bij de KvK, worden niet tegengeworpen indien aan alle andere toelatingsvoorwaarden is voldaan. Het beleid in paragraaf B1/4.1 van de Vc 2000 gaat, in het licht van de overwegingen in het arrest Yön, ook niet verder dan noodzakelijk om het nagestreefde doel van efficiënt beheer van migratiestromen te verwezenlijken. Indien een vreemdeling bijzondere, persoonlijke feiten en omstandigheden aanvoert die op zichzelf genomen niet voldoende zijn om in aanmerking te komen voor vrijstelling van het mvv-vereiste, moet de minister beoordelen of het – gelet daarop – onevenredig bezwarend zou zijn om vast te houden aan het mvv-vereiste indien die vreemdeling daarnaast aan alle materiële vereisten zou voldoen. Indien de minister vervolgens tot de conclusie komt dat vasthouden aan het mvv-vereiste in zo’n geval inderdaad onevenredig bezwarend zou zijn, zal hij vervolgens toekomen aan de vraag of die vreemdeling ook daadwerkelijk aan alle materiële vereisten voldoet. Indien het antwoord op die vraag bevestigend is, zal de minister die vreemdeling, onder toepassing van de hardheidsclausule, vrij moeten stellen van het mvv-vereiste. Hoewel de twee in paragraaf B1/4.1 van de Vc 2000 genoemde voorwaarden – de vreemdeling voldoet aan alle overige geldende voorwaarden voor het verlenen van de verblijfsvergunning en er is sprake van bijzondere, individuele omstandigheden die tot de conclusie leiden dat het stellen van het mvv-vereiste onevenredig is – in samenhang bekeken moeten worden, brengt deze toepassing mee dat ze terecht in het beleid cumulatief zijn geformuleerd. De benadering van de minister dat hij eerst beoordeelt of bijzondere individuele omstandigheden aanleiding geven tot vrijstelling van het mvv-vereiste en, als dat niet zo is, hij niet meer toekomt aan de beoordeling of een vreemdeling daadwerkelijk aan alle toelatingsvoorwaarden voldoet, gaat daarom, gelet op de overwegingen in het arrest Yön en de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2019, niet verder dan noodzakelijk is om het nagestreefde doel van efficiënt beheer van migratiestromen te verwezenlijken. Dit beleid is ook op juiste wijze op eiser toegepast. Beroep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken