Rb. Den Haag 3 juni 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:12223
Aanvraag verblijfsvergunning regulier: arbeid als zelfstandige. Turkse onderdaan. Mvv-vereiste: vrijstelling ex art. 3.71 lid 2 onder e, Vb 2000 (uitzetting in strijd is met het Associatierecht EEG-Turkije). Standstillbepaling ex art. 41 lid 1 Aanvullend Protocol. Paragraaf B1/4.1. Vc 2000. De staatssecretaris heeft beleid gemaakt ter invulling van het laatste deel van artikel 3.71, tweede lid, onder e, 2000. Dit beleid is neergelegd in paragraaf B1/4.1. Vc 2000. De rechtbank moet eerst de vraag beantwoorden of het laatste deel van artikel 3.71, tweede lid, onder e, Vb 2000 ruimte biedt om het beleid te maken zoals opgenomen in paragraaf B1/4.1 Vc 2000. Niet in geschil is dat artikel 3.71, tweede lid, onder e, Vb 2000 geen beoordelings- of beleidsruimte laat aan de staatssecretaris. De bepaling is een gebonden bevoegdheid. Hieruit volgt dat als aan de voorwaarde is voldaan, de staatssecretaris vrijstelling van het mvv-vereiste moet verlenen. De bepaling biedt dan ook geen ruimte voor beleid ter invulling van beoordelings- of beleidsruimte. De rechtbank begrijpt dat het beleid in paragraaf B1/4.1 Vc 2000 moet worden geduid als wetsinterpreterend beleid. Voor beantwoording van de vraag of het laatste deel van artikel 3.71, tweede lid, onder e, Vb 2000 ruimte biedt voor dit wetsinterpreterende beleid, is het van belang de aard van dat deel nader te duiden. In het geval van eiser gaat het om het Aanvullend Protocol. Artikel 41, eerste lid, Aanvullend Protocol heeft niet tot gevolg Turkse staatsburgers een recht van binnenkomst op het grondgebied van een lidstaat te verlenen, omdat een dergelijk positief recht niet uit het nu toepasselijke gemeenschapsrecht kan worden afgeleid, maar daarentegen onder het nationale recht blijft vallen. Dit betekent dat een standstillbepaling als die van artikel 41, eerste lid, Aanvullend Protocol niet werkt als een materieel voorschrift, maar als een quasi procedurele regeling die ratione temporis voorschrijft op basis van welke bepalingen van de regeling van een lidstaat de situatie van een Turks staatsburger die gebruik wil maken van de vrijheid van vestiging in een lidstaat, moet worden beoordeeld. Naar het oordeel van de rechtbank verdraagt zich hiermee niet het beleid neergelegd in paragraaf B1/4.1 Vc 2000 waarin een zelfstandige inhoudelijke norm is geformuleerd om tot afwijzing van een aanvraag te komen. Voor deze in het beleid gecreëerde afwijzingsgrond op grond waarvan een Turkse onderdaan het mvv-vereiste wel kan worden tegengeworpen, is geen wettelijke basis. Daar biedt artikel 3.71, tweede lid, onder e, Vb 2000 geen ruimte voor. De grondslag om het besluit te nemen, ligt dan ook uitsluitend in de beleidsregel en dat is niet toegestaan. De staatssecretaris is hiermee de grens van de beleidsbepaling te buiten gegaan. Dit maakt dat het beleid neergelegd in paragraaf B1/4.1 Vc 2000 buiten toepassing moet worden gelaten. En omdat de staatssecretaris eisers aanvraag heeft afgewezen op grond van dit beleid en de aanvraag niet inhoudelijk heeft beoordeeld, kan het bestreden besluit geen stand houden. Het beroep is gegrond. De staatssecretaris moet eisers aanvraag inhoudelijk beoordelen naar de materieel toepasselijke regels met inachtneming van de standstillbepaling.
De uitspraak op rechtspraak.nl