Rb. Den Haag 15 december 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:20267
Opheffing zwaar inreisverbod. Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. Eiser van Afghaanse nationaliteit is in de periode 1980 tot 1996 als officier werkzaam is geweest bij de KhAD/WAD en de Nationale Veiligheidsdienst. Eerder heeft verweerder eisers verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken en tegen hem een inreisverbod voor de duur van 10 jaar uitgevaardigd in verband met toepasselijkheid van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Eiser heeft verzocht om opheffing van het inreisverbod en heeft zich beroepen op de gezondheid van hemzelf en van zijn al langer dementerende echtgenote. Hun situatie is de afgelopen jaren verder verslechterd en beduidend schrijnender geworden. Het verzoek is afgewezen onder verwijzing naar besluiten in eerder door eiser gevoerde procedures en omdat de door eiser – die als actuele bedreiging voor de openbare orde wordt beschouwd - aangevoerde redenen voor opheffing van het inreisverbod niet nieuw zijn dan wel onvoldoende gewicht in de schaal leggen. Omdat de rechtbank niet is gebleken van inspanningen om inhoud te geven aan de op verweerder zelf rustende verwijderplicht acht de rechtbank het niet redelijk om de omstandigheid dat eiser ondanks de op hem rustende vertrekplicht nog steeds in Nederland verblijft zonder meer voor eisers rekening en risico te laten komen. Dat de verdere handhaving van het inreisverbod, ondanks dat verweerder zelf geen inhoud geeft aan zijn verwijderplicht, verenigbaar is met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel dient verweerder dan ook nader te motiveren. Het door verweerder gestelde belang van de openbare orde bij handhaving van het inreisverbod, is naar het oordeel van de rechtbank inmiddels voldoende bereikt. Eiser heeft tijdens zijn verblijf hier, voor zover dit niet rechtmatig is geweest, niet kunnen participeren in de Nederlandse samenleving en heeft op geen enkele voorziening aanspraak kunnen maken en geen enkel recht gehad. Verweerder dient nader te motiveren waarom verdere handhaving van het inreisverbod, enkel vanwege het niet betonen van schuldbesef en oprecht berouw, terwijl het beoogde doel ervan enerzijds niet wordt bereikt omdat verweerder eiser niet heeft verwijderd en anderzijds die verdere handhaving weinig meer toevoegt aan de effecten die deze besluitvorming reeds heeft gehad, verenigbaar is met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. Beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl