Rb. Den Haag 5 april 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:3044

Griekse statushouders – de rechtbank stelt vast dat het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht niet voorzien in regels en te volgen procedures als een Verdragsluitende partij en/of lidstaat van de Unie na erkenning van vluchtelingschap en verlening van de vluchtelingenstatus niet wil en/of kan voldoen aan zijn verplichtingen jegens de statushouder en de statushouder daardoor in een met artikel 4 Handvest-strijdige situatie geraakt. Het Unierecht dient daarom nader te worden uitgelegd. De Europese Hoven en de Afdeling hebben zich nog niet uitgelaten over de rechtsvraag of de lidstaat bij wie een erkend vluchteling, wiens vluchtelingenstatus voortduurt, een verzoek om internationale bescherming indient, verplicht zijn deze status inclusief de verplichtingen voor de lidstaat en de rechten voor de statushouder over te nemen. Het GEAS stoelt op de volledige en niet restrictieve toepassing van het Vluchtelingenverdrag. Het kan niet zo zijn dat een vluchteling die zich in de statusverlenende lidstaat in een met artikel 4 Handvest-strijdige situatie bevindt gehouden is om ofwel in die situatie te blijven, ofwel zijn rechten als statushouder niet zonder meer langer op het grondgebied van de Unie kan effectueren omdat de andere lidstaten geen gewicht hoeven toe te kennen aan de erkenning als vluchteling en verleende beschermingsstatus. Verweerder heeft de asielaanvragen van eisers behandeld als ware het eerste asielaanvragen en heeft hierbij geen enkel gewicht toegekend aan de omstandigheid dat een andere lidstaat eisers reeds heeft erkend als vluchteling, hen ook de vluchtelingenstatus heeft verleend en deze status voortduurt ten tijde van de asielaanvragen in Nederland. Verweerder wijst de aanvragen af en legt een terugkeerbesluit op, terwijl de door Griekenland verleende status niet is beëindigd, ingetrokken of niet is verlengd. In het dossier bevinden zich geen aanknopingspunten op grond waarvan zou kunnen worden overgegaan tot beëindiging, intrekking of niet verlenging van de status, daargelaten dat het Unierecht ook niet voorziet in expliciete regels welke lidstaat waartoe bevoegd is. De rechtbank overweegt dat er geen Verdragsrechtelijke, Unierechtelijke of nationaalrechtelijke juridische grondslag is om een verplichting voor verweerder aan te nemen om in overleg te treden met de Griekse autoriteiten over de verzoeken om internationale bescherming die eisers hier te lande na statusverlening door Griekenland hebben ingediend en dat bovendien niet valt in te zien waarover overlegd zou moeten worden. Het EHRM en het Hof hebben reeds geoordeeld dat een status die is ingetrokken wel betrokken moet worden bij de beoordeling van het risico op refoulement en de beslissing of een verplichting tot terugkeer naar het land van herkomst kan worden opgelegd. De rechtbank overweegt dat indien in het geval van intrekking van de status desondanks rekening moet worden gehouden met het zijn van vluchteling en met de omstandigheid dat de verzoeker op enig moment in het bezit van een status is geweest, dit -tenminste- betekent dat ingeval de vluchteling de status nog bezit, deze niet buiten beschouwing kan blijven enkel omdat de statusverlenende lidstaat zijn verplichtingen jegens de statushouder niet nakomt. Het declaratoire karakter van de vluchtelingenstatus, het GEAS en het interstatelijk vertrouwensbeginsel brengen mee dat de door een lidstaat gegeven erkenning als vluchteling en statusverlening worden gerespecteerd en “overgenomen” en aan de vluchtelingenstatus in die zin “Unierechtelijke territoriale werking” wordt toegekend. In de situatie dat de statusverlenende lidstaat zijn verplichtingen niet nakomt en statushouders zich in een situatie als bedoeld in Ibrahim (zullen) bevinden, ligt voor de hand dat de lidstaat tot wie de vluchteling zich wendt dan verplicht is de rechten van de statushouders te eerbiedigen en te waarborgen. Iedere andere uitleg van het Unierecht doet afbreuk aan de bescherming die het Vluchtelingenverdrag en de beschermingsregeling waarin het Unierecht voorziet beogen te bieden en is daarom volgens de rechtbank niet verenigbaar met het Unierecht. Het is niet onvoorzienbaar dat divergerende jurisprudentie in de nationale rechtspraktijk en tussen de lidstaten onderling zal ontstaan. De rechtbank gaat ondanks het zaaksoverstijgende karakter van de aan de orde zijn rechtsvragen niet over tot het stellen van prejudiciële vragen omdat de rechtbank dit in strijd acht met de concrete belangen van eisers om deze procedure zo spoedig mogelijk af te ronden. Einduitspraak – beroepen gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken