ABRvS 23 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP5928
Het in paragraaf C2/2.13 van de Vc 2000 neergelegde beleid bepaalt dat, indien een vreemdeling door de UNHCR reeds als vluchteling is erkend, door de minister wordt bezien of die erkenning op categoriale of individuele gronden heeft plaatsgevonden. Uit het besluit van 5 september 2008, en het daarin herhaalde en ingelaste voornemen, blijkt niet dat dit onderzoek in het geval van de vreemdeling heeft plaatsgevonden. De verklaring van de minister ter zitting van de rechtbank dat er door hem naar de grond voor erkenning onderzoek is gedaan is niet concreet onderbouwd. Van het door hem gestelde contact via email met de UNHCR zijn geen bewijzen overgelegd. Ook overigens blijkt niet of de vreemdeling door de UNHCR op individuele of categoriale gronden als vluchteling is erkend. Aangezien de minister ten onrechte geen nader onderzoek heeft verricht, althans van de daarbij vergaarde kennis niet naar behoren verslag heeft gedaan, is het besluit van 5 september 2008 in strijd met artikel 3:2 van de Awb genomen.
De uitspraak op rechtspraak.nl