Rb. Den Haag 23 juli 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:7884
Prejudiciële vragen – verwestering – worteling – belang van het kind - Afghanistan. Eiseressen maken deel uit van een gezin van zeven personen,. Zij hebben in juni 2012 Afghanistan verlaten en zijn, na een verblijf van ruim drie jaar in Iran, gezamenlijk Nederland ingereisd op 1 oktober 2015. Eiseres 1 was bij aankomst in Nederland 11,5 jaar oud. Eiseres 2 was op het moment van inreis 10,5 jaar oud. Eiseressen verblijven ten tijde van het onderzoek ter zitting 5 jaar en 8,5 maand onafgebroken in Nederland en hebben steeds volwaardig deelgenomen aan de samenleving. Eiseressen hebben, terwijl ze minderjarig zijn, een opvolgende aanvraag om internationale bescherming gedaan. Eiseressen stellen dat zij zijn verwesterd en daarom bescherming nodig hebben. Eiseressen stellen tevens dat zij schade hebben opgelopen doordat ze gedurende geruime tijd feitelijk in Nederland hebben verbleven en in onzekerheid hebben verkeerd ten aanzien van de vraag of tot verblijfsaanvaarding wordt overgegaan. De rechtbank acht nadere uitleg van het Hof van Justitie over het Unierecht noodzakelijk om uitspraak te kunnen doen in het hoofdgeding. De rechtbank wendt zich dan ook tot het Hof met het verzoek de navolgende prejudiciële vragen van de rechtbank te beantwoorden: I Dient artikel 10, eerste lid onder d, van de Kwalificatierichtlijn aldus te worden uitgelegd dat westerse normen, waarden en feitelijke gedragingen die derdelanders aannemen terwijl zij een aanzienlijk deel van de levensfase waarin zij hun identiteit vormen op het grondgebied van de lidstaat verblijven en volwaardig deelnemen aan de samenleving, moeten worden beschouwd als een gemeenschappelijke achtergrond die niet kan worden gewijzigd, dan wel dermate fundamentele kenmerken van een identiteit zijn dat van betrokkenen niet kan worden geëist dat zij dit opgeven? II Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, dienen derdelanders die - ongeacht de motieven hiervoor - vergelijkbare westerse normen en waarden hebben aangenomen door feitelijk verblijf in de lidstaat gedurende hun identiteitsvormende levensfase te worden beschouwd als “leden van een specifieke sociale groep” in de zin van artikel 10, eerste lid onder d, van de Kwalificatierichtlijn? Dient de vraag of sprake is van een “specifieke sociale groep die in het betrokken land een eigen identiteit heeft” hierbij beoordeeld te worden vanuit het perspectief van de lidstaat of moet dit gelezen in samenhang met artikel 10, tweede lid, Kwalificatierichtlijn aldus worden uitgelegd dat doorslaggevend gewicht toekomt aan het aannemelijk kunnen maken door de vreemdeling dat hij in het land van herkomst wordt beschouwd als deel uitmakend van een specifieke sociale groep, althans dat dit wordt toegedicht ? Is het vereiste dat verwestering alleen tot vluchtelingschap kan leiden als dit voortkomt uit religieuze of politieke motieven verenigbaar met artikel 10 van de Kwalificatierichtlijn, gelezen in samenhang met het verbod op refoulement en het recht op asiel? III Is een nationale rechtspraktijk waarin een beslisautoriteit bij het beoordelen van een verzoek om internationale bescherming het belang van het kind weegt zonder dit belang van het kind eerst (in elke procedure) concreet vast te (laten) stellen verenigbaar met het Unierecht en meer in het bijzonder met artikel 24, tweede lid, van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest), gelezen in samenhang met artikel 51, lid 1, van het Handvest? Luidt de beantwoording van deze vraag anders als de lidstaat een verzoek om verblijfsaanvaarding op reguliere gronden moet beoordelen en het belang van het kind moet worden betrokken bij de beslissing op dat verzoek? IV Op welke wijze en in welke fase van de beoordeling van een verzoek om internationale bescherming moet, gelet op artikel 24, tweede lid, van het Handvest het belang van het kind en meer in het bijzonder de schade die een minderjarige heeft opgelopen door langdurig feitelijk verblijf in een lidstaat worden betrokken en gewogen? Is het hierbij relevant of dit feitelijk verblijf rechtmatig verblijf is geweest? Is het bij het wegen van het belang van het kind bij bovenstaande beoordeling relevant of de lidstaat binnen de Unierechtelijke beslistermijnen heeft beslist op het verzoek om internationale bescherming, of niet is voldaan aan een eerder opgelegde terugkeerplicht en of de lidstaat niet tot verwijdering is overgegaan nadat een terugkeerbesluit is uitgevaardigd waardoor feitelijk verblijf van de minderjarige in de lidstaat heeft kunnen voortduren? V Is een nationale rechtspraktijk waarin onderscheid wordt gemaakt tussen eerste en opvolgende verzoeken om internationale bescherming, in die zin dat reguliere motieven buiten beschouwing worden gelaten bij opvolgende verzoeken om internationale bescherming, gelet op artikel 7 van het Handvest gelezen in samenhang met artikel 24, tweede lid, van het Handvest, verenigbaar met het Unierecht? De behandeling van het beroep wordt geschorst totdat het Hof de prejudiciële vragen van de rechtbank heeft beantwoord.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 27 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1281
- ABRvS 21 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3735
- ABRvS 30 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1733
- EHRM 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2012:518
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2013:720
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2014:2452
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2014:2462
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2018:801
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2021:478
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2021:9