Rb. Den Haag 30 december 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:15979
Eiseres heeft voor de jaren 2015 tot en met 2018 de omzetbelasting die drukt op de kosten van het gescheiden inzamelen of het inzamelen en nascheiden van verpakkingsmaterialen uit huishoudelijk afval, het eventueel sorteren van de ingezamelde verpakkingsmaterialen en het registreren van het ingezamelde verpakkingsmateriaal in aanmerking laten komen voor een bijdrage uit het BCF. Deze bijdragen uit het BCF zijn van eiseres teruggevorderd. Daarbij is tevens belastingrente aan eiseres in rekening gebracht. In geschil is of het bezwaar inzake het jaar 2015 terecht niet-ontvankelijk is verklaard en of de bijdragen uit het BCF terecht van eiseres zijn teruggevorderd. Meer in het bijzonder is in geschil of eiseres de in geding zijnde activiteiten heeft verricht als ondernemer. Verder is in geschil of verweerder terecht belastingrente in rekening heeft gebracht. De rechtbank oordeelt dat het bezwaar voor 2015 terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De termijnoverschrijding is niet verschoonbaar. Van een publiekrechtelijk lichaam zoals eiseres mag worden verwacht dat de binnenkomende post regelmatig wordt gecontroleerd en op juiste wijze wordt verwerkt, ook wanneer door bijzondere omstandigheden haar medewerkers thuiswerken. De beperkingen in verband met Corona doen zich al voor sinds maart 2020 zodat eiseres ruim vóór december 2020 in dat kader eventuele maatregelen had kunnen treffen. De rechtbank oordeelt verder dat sprake is van een economische activiteit als bedoeld in artikel 9 van de Btw-richtlijn en dat eiseres met betrekking tot de in geding zijnde activiteiten niet handelt als overheid. Zij heeft daarom ten onrechte voor deze activiteiten aanspraak gemaakt op een bijdrage uit het BCF. Ook het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel faalt. De terugvorderings-beschikkingen blijven daarom in stand. Verder oordeelt de rechtbank dat terecht belastingrente aan eiseres in rekening is gebracht. Anders dan eiseres stelt, heeft de wetgever geen renteneutraliteit beoogd. Verder is het voor de belastingheffing geldende beleid niet van toepassing op het BCF. Ook heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat de beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde evenredigheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, in dit geval meebrengen dat geen belastingrente in rekening mag worden gebracht, dan wel dat de berekening van deze rente moet worden beperkt. Dat er een verschuiving van gelden heeft plaatsgevonden van het BCF naar de omzetbelasting, wat daar ook van zij, is daartoe onvoldoende.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof Den Haag 15 oktober 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2223
- Rb. Den Haag 30 september 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:12478
- Rb. Den Haag 24 december 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:14424
- HR 25 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8524
- HR 28 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0764
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1994:80
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1997:278
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2002:494
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2003:377
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2010:590
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2014:185
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2016:334
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2021:277