Rb. Den Haag 24 december 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:14424
Aan eiseres, een gemeente, zijn naheffingsaanslagen opgelegd. De naheffingsaanslagen hebben gedeeltelijk betrekking op bedragen die eiseres via het BTW-compensatiefonds had moeten terugvragen en ten onrechte in haar aangiften omzetbelasting heeft afgetrokken. De gecorrigeerde bedragen aan te betalen omzetbelasting zijn niet in geschil. Wel in geschil is of de belastingrente over de jaren 2012 tot en met 2015 terecht en tot de juiste bedragen in rekening zijn gebracht. De rechtbank oordeelt dat de wettelijke regeling mee brengt dat bij tegenover elkaar staande correcties de te betalen belastingrente en de te vergoeden belastingrente berekend worden over twee verschillende tijdvakken. Per saldo wordt er in gevallen als de onderhavige derhalve meer rente in rekening gebracht dan vergoed. Het primaire standpunt van eiseres slaagt dan ook niet. Het beroep van eiseres op begunstigend beleid van verweerder slaagt evenmin. Ook oordeelt de rechtbank dat er geen sprake is van onzorgvuldig handelen door verweerder waardoor de belastingrente gematigd zou moeten worden. Met betrekking tot de opgelegde verzuimboeten oordeelt de rechtbank dat deze voor de tijdvakken 2013 en 2014 vernietigd dienen te worden. Nu zowel het Horizontaal toezicht als het in rekening brengen van belastingrente gericht is op inscherping van de fiscale verplichtingen heeft verweerder bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet tot de beslissing kunnen komen om bij de naheffingsaanslagen ook verzuimboeten op te leggen
De uitspraak op rechtspraak.nl