Rb. Den Haag 15 februari 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:1249
Beroep tegen verlening vluchtelingenstatus en toekenning maximale bestuurlijke dwangsom niet-ontvankelijk vanwege ontbreken procesbelang. De vreemdeling is in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw (de vluchtelingenstatus). Het beroep richt zich tegen het ontbreken van een motivering bij het besluit. De rechtbank is van oordeel dat dit beroep niet-ontvankelijk is vanwege het ontbreken van procesbelang. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak, onder meer de uitspraken van 14 januari 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BH014) en 13 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1625), kan een belanghebbende bij de ter zake bevoegde rechter slechts opkomen tegen een besluit, indien hij bij het instellen van dat rechtsmiddel enig belang heeft. Aan de vreemdeling is de vluchtelingenstatus verleend. Naar het oordeel van de rechtbank is evident dat dit is gebeurd op basis van zijn asielrelaas. Daarbij heeft eiser niet aangeven waarom hij thans belang heeft bij een nadere motivering van dit declaratoire besluit en op welke wijze hij daardoor in een gunstiger rechtspositie komt te verkeren. Bovendien schrijft de Procedurerichtlijn niet voor dat gemotiveerd dient te worden waarom een vluchtelingenstatus wordt verleend. In artikel 11, tweede lid, van die richtlijn is enkel bepaald dat de lidstaten ervoor zorgen dat beslissingen, waarbij verzoeken worden afgewezen wat de vluchtelingenstatus en/of subsidiairebeschermingsstatus betreft, in feite en in rechte worden gemotiveerd. Deze bepaling is geïmplementeerd in artikel 3.121a van het Vreemdelingenbesluit. In deze zaak is geen sprake van een (impliciete) afwijzing van de vluchtelingenstatus of subsidiairebeschermingsstatus. De verlening van een asielvergunning voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw houdt voor de duidelijkheid geen impliciete weigering in van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Gelet op de toetsingsvolgorde in asielzaken beoordeelt de staatssecretaris immers eerst of de vreemdeling voor toelating in aanmerking komt op de in artikel 29, eerste lid van de Vw genoemde a-grond voordat hij toekomt aan de beoordeling of die vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op de in artikel 29, eerste lid, van de Vw genoemde b-grond. Dit volgt ook uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak, onder meer de uitspraak van 3 december 2001 (ECLI:NL:RVS:2011:AD8707, punt 2.2.1.). Het beroep, voor zover gericht tegen het dwangsombesluit, is eveneens niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van procesbelang. Nog daargelaten dat de vreemdeling niet motiveert waarom het dwangsombesluit onjuist is vastgesteld, staat vast dat de staatssecretaris in dit besluit erkent dat hij aan de vreemdeling de maximale (lees: hoogst mogelijke) bestuurlijke dwangsom van € 1.442,- verschuldigd is. Gelet op het bepaalde in artikel 4:17, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is uitgesloten dat een andere berekening tot een hogere verschuldigde dwangsom kan leiden.
De uitspraak op rechtspraak.nl