Rb. Den Haag 8 juli 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:6330
Geschil over gedeeltelijk afwijzing gratieverzoek. Eiser is door het hof strafrechtelijk veroordeeld voor twee feiten. Feit 2 was ten tijde van de behandeling bij het hof al verjaard. Hierover is in cassatie namens eiser (in de schriftuur van april 2018) niet geklaagd. De Hoge Raad heeft vervolgens in een arrest van 30 oktober 2018 bepaald dat niet meer ambtshalve wordt gecasseerd als een feit t.t.v. indienen cassatieschriftuur al is verjaard en daarover geen klacht is geuit. De Hoge Raad heeft in de zaak van eiser het arrest van het hof bevestigd. De Hoge Raad is niet ambtshalve ingegaan op de verjaring. De Minister heeft het gratieverzoek van eiser afgewezen, voor zover het gaat over de verjaring van feit 2. Voor feit 1 (verjaard na indiening cassatiemiddel) is wel gratie verleend. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de Minister die beslissing mogen nemen. De beslissing is in lijn met het advies van het OM en het hof over het gratieverzoek. Ook is de beslissing niet onbegrijpelijk, nu de Hoge Raad in de zaak van eiser kennelijk bewust aan de lijn van het arrest van 30 oktober heeft vastgehouden. De voorzieningenrechter wijst daarbij ook op wat in de wetsgeschiedenis van de Gratiewet is opgemerkt over de zwaarwegendheid van het advies van de rechter en de verhouding tussen de rechtspraak en de Kroon.
De uitspraak op rechtspraak.nl