HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2343

Economische zaak. Verduistering geldbedragen (art. 321 Sr) en feitelijk leidinggeven aan medeplegen van overtreding voorschrift art. 82.1 Wet toezicht kredietwezen 1992 begaan door rechtspersoon. Bewijsklacht verduistering. Is oordeel Hof dat verdachte de geldbedragen 'anders dan door misdrijf' onder zich had a.b.i. art. 321 Sr onverenigbaar met bewezenverklaard misdrijf van art. 82.1 Wtk 1992 dat op dezelfde geldbedragen betrekking heeft? HR herhaalt relevante overweging uit ECLI:NL:HR:2001:AD4573 m.b.t. uitleg bestanddeel “goed (…) dat hij anders dan door misdrijf onder zich heeft”. Hof heeft als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat het bedrijfsmatig ter beschikking verkrijgen van geldbedragen van het publiek, terwijl dat door art. 82.1 Wtk 1992 wordt verboden tenzij zich één van de in art. 82.2 tot en met 82.4 Wtk 1992 bedoelde uitzonderingen voordoet, niet meebrengt dat verdachte daarmee die geldbedragen onder zich heeft gekregen "door" misdrijf, d.w.z. dat genoemd misdrijf daarvan de oorzaak was. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken