Rb. Den Haag 5 maart 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:3029
Aan eiseres zijn naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd. De activiteiten van eiseres bestaan uit bewindvoering. In geschil is of de diensten van eiseres zijn vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel f, van de Wet OB in combinatie met artikel 7, eerste lid, Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (UB) en post b33 van Bijlage B bij het UB. Volgens vaste jurisprudentie dienen de bewoordingen van een vrijstelling strikt te worden uitgelegd. Nu eiseres een beroep doet op de vrijstelling rust de bewijslast voor toepassing van deze vrijstelling op haar. Eiseres verwijst onder andere naar de Nota van Toelichting bij het Besluit van 15 december 2005 tot wijziging van het UB en stelt dat haar werkzaamheden identiek zijn aan de werkzaamheden zoals vermeld in die Nota. De rechtbank oordeelt dat eiseres niet inzichtelijk heeft gemaakt waaruit haar werkzaamheden in het kader van schuldenbewindvoering bestaan. Zij heeft evenmin stukken overgelegd waaruit dit kan worden afgeleid. De verwijzing van eiseres naar artikel 47 van de Wet op het consumentenkrediet treft evenmin doel. Ook beroept eiseres zich op artikel 132, eerste lid, onderdeel g, van de btw-richtlijn. Dit subsidiaire standpunt slaagt niet. Het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel faalt eveneens. Alleen al omdat niet duidelijk waaruit de prestaties van eiseres bestaan, is er geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen. Aangezien verweerder heeft aangekondigd de boetes te zullen vernietigen uit het oogpunt van consistentie worden de zaken waarin door verweerder boetebeschikkingen waren opgelegd gegrond verklaard. De zaak waarin geen boetebeschikking was opgelegd wordt ongegrond verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl