Rb. Den Haag 28 juni 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:6302

AVG-zaak. Verzoek tot verwijdering van Google-zoekresultaten. Het verzoekschrift in de eerste zaak is gebaseerd op de Wbp. Het (inhoudelijk gelijkluidende) verzoekschrift in de tweede zaak is gebaseerd op de AVG. Verzoekster heeft de verzoeken één dag voor de op de mondelinge behandeling bepaalde uitspraakdatum ingetrokken. De rechtbank geeft alsnog een inhoudelijk oordeel over het geschil in verband met de beslissing over de proceskostenveroordeling. Hoewel het eerste verzoekschrift nog ten tijde van de Wbp is ingediend, toetst de rechtbank ook de verzoeken in die zaak vanuit het heden (ex-nunc) op basis van de AVG. De rechtbank concludeert dat de bestreden zoekresultaten op grond van de AVG niet hoeven te worden verwijderd. Verzoekster wordt in de proceskosten veroordeeld. De rechtbank ziet, anders dan verzoekster onder verwijzing naar het arrest van het hof Den Bosch van 1 februari 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:363 heeft betoogd, geen aanleiding om op grond van art. 47 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie van een proceskostenveroordeling af te zien. (en inzake C/09/556396 / HA RK 18/355).

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken