Rb. Den Haag 5 juni 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:6144

nareis; leeftijd referent; Gezinsherenigingsrichtlijn; arrest A.S.; Dublinprocedure Eisers zijn de ouders van referent. Referent heeft eerst in Griekenland asiel aangevraagd. Griekenland heeft Nederland op grond van artikel 21, eerste lid, Dublinverordening verzocht de behandeling van het asielverzoek van referent over te nemen, omdat de oom van referent in Nederland verblijft. Het overnameverzoek is door Nederland gehonoreerd. Referent is vervolgens 2 dagen nadat hij 18 jaar is geworden Nederland binnengekomen en heeft hier wederom een asielverzoek ingediend. Aan hem is een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. Binnen drie maanden daarna is de mvv voor eisers aangevraagd. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat referent ten tijde van zijn asielaanvraag in Nederland meerderjarig was. De rechtbank haalt het arrest A.S. aan en met name punten 44, 45 en 55 – 60 en oordeelt vervolgens dat, hoewel het Hof zich niet expliciet heeft uitgesproken over de specifieke situatie van referent en eisers, de rechtbank van oordeel is dat in dit geval afbreuk wordt gedaan aan de nuttige werking van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Ook in een geval als het onderhavige, waarin de behandeling van het tijdens de minderjarigheid van de alleenstaande minderjarige ingediende asielverzoek op grond van de Dublinverordening wordt overgenomen door een andere lidstaat en de alleenstaande minderjarige gedurende die procedure, voorafgaand aan de daadwerkelijke overdracht, meerderjarig wordt, gelden de hiervoor aangehaalde uitgangspunten. Immers, ook nu geldt dat twee alleenstaande minderjarige vluchtelingen van dezelfde leeftijd die op hetzelfde tijdstip een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend, wat het recht op gezinshereniging betreft, verschillend zouden kunnen worden behandeld naar gelang van de behandelingsduur van overnameverzoeken, terwijl zij hierop in het algemeen geen enkele invloed hebben. Verder geldt ook nu dat het voor een alleenstaande minderjarige die een asielverzoek heeft ingediend, absoluut onvoorzienbaar is of hij in aanmerking zal komen voor het recht op gezinshereniging met zijn ouders als een procedure tot overname van het asielverzoek zou worden opgestart, hetgeen de rechtszekerheid zou kunnen ondermijnen. Verder hecht de rechtbank groot belang aan hetgeen het Hof in punt 60 heeft geoordeeld. Hierbij merkt de rechtbank op dat, door in een geval als het onderhavige, waarin een lidstaat na de indiening van het asielverzoek door de alleenstaande minderjarige een andere lidstaat om overname verzoekt, uit te gaan van de datum van het in de eerste lidstaat ingediende asielverzoek, de slaagkansen van het verzoek om gezinshereniging slechts verband houden met de alleenstaande minderjarige en niet met de voortvarendheid van het indienen van een verzoek om overname of de behandeling daarvan, of de eventuele overdracht van de alleenstaande minderjarige.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken