Rb. Den Haag 26 april 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:4713

De rechtbank stelt vast dat uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3711) volgt dat buiten de twee uitzonderingen die worden genoemd in artikel 2, aanhef en onder f, van Gezinsherenigingsrichtlijn, ook andere omstandigheden van belang kunnen zijn voor de inkadering van het begrip 'alleenstaande minderjarige' zoals het bereiken van de meerderjarige leeftijd na aankomst in Nederland. Nu de strekking en bedoeling van artikel 2, aanhef en onder f, van Gezinsherenigingsrichtlijn op zich duidelijk is, valt niet in te zien dat de betekenis van deze bepaling zonder meer kan worden opgerekt. Volgens vaste jurisprudentie dienen uitzonderingen op Europese richtlijnen strikt te worden uitgelegd. In de Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement betreffende richtsnoeren voor de toepassing van Richtlijn 2003/86/EG inzake het recht op gezinshereniging is geen aanwijzing te vinden voor de stelling dat artikel 2, aanhef en onder f, toepassing mist wanneer na de aankomst van de vreemdeling op het grondgebied de meerderjarige leeftijd wordt bereikt. Niet valt in te zien dat de Europese wetgever niet in de tekst van de bepaling een dergelijke uitzondering had neergelegd, indien hij een dergelijke uitleg had voorstaan. Naar het oordeel van de rechtbank biedt het artikel een dergelijke ruimte dan ook niet.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken