Rb. Den Haag 21 maart 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:2918
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder tenminste de indruk gewekt van een bewuste standpuntbepaling ten aanzien van de verplaatsing van de feitelijke leiding van X BV in 2008 naar Malta. Voorts slaagt verweerder er niet in aannemelijk te maken dat de feitelijke leiding zich in 2011 en 2012 in Nederland bevond. Aldus dient X BV, die naar Nederlands recht is opgericht, voor verdragstoepassing te worden aangemerkt als inwoner van Malta en kan zij als beperkt binnenlands belastingplichtige slechts in de Nederlandse heffing betrokken worden voor zover sprake is van Nederlandse bronnen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan geen sprake zodat aan X BV voor de jaren 2011 en 2012 opgelegde navorderingsaanslagen Vpb dienen te worden vernietigd. De naheffingsaanslagen dividendbelasting die zijn opgelegd ter zake van dividenduitkeringen door X BV aan haar in Zwitserland wonende aandeelhouder dienen eveneens te worden vernietigd. Met inachtneming van het drielandenpunt-arrest van de Hoge Raad van 28 februari 2001 (ECLI:NL:HR:2001:AB0296) werkt de op grond van het belastingverdrag met Malta bepaalde vestigingsplaats door naar het belastingverdrag met Zwitserland. Aldus is Nederland op grond van het verdrag met Zwitserland niet bevoegd te heffen over dividenduitkeringen in 2011 en 2012.
De uitspraak op rechtspraak.nl