Hof Den Haag 24 juni 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1044

Belanghebbende is een naar Nederlands recht opgerichte vennootschap. In 2008 is haar statutaire directie vanuit Nederland verplaatst naar Malta. Op Malta maakt zij gebruik van het “remittance base”-regime. In de jaren 2011 en 2012 heeft belanghebbende in haar aangiften vennootschapsbelasting een belastbare winst aangegeven van nihil, waarbij bedragen zijn opgevoerd als ‘overige vrijgestelde winstbestanddelen’. Voorts heeft zij in deze jaren dividenden uitgekeerd aan haar in Zwitserland woonachtige aandeelhouder. Deze was tot 1 juli 2008 tevens belanghebbendes enige bestuurder. Vanaf juli 2008 zijn twee Maltese, voor een trustkantoor werkzame medebestuurders benoemd, waarvan er één ultimo 2011 is teruggetreden. De Inspecteur heeft navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting en naheffingsaanslagen dividendbelasting opgelegd. Belanghebbendes betoog dat bij haar het in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt dat aan haar geen navorderings- en naheffingsaanslagen zouden worden opgelegd, stuit af op het gegeven dat belanghebbende relevante informatie aan de Inspecteur heeft onthouden. Ook het beroep op het ontbreken van een navordering rechtvaardigend nieuw feit, faalt. Volgens het Hof was belanghebbende in de onderhavige jaren zowel inwoner van Nederland als van Malta in de zin van het woonplaatsartikel in het Verdrag met Malta (het Verdrag), zodat moet worden vastgesteld waar de werkelijke leiding van belanghebbende is gelegen in de zin van de tiebreakbepaling. De bewijslast dat de werkelijke leiding van belanghebbende niet werd uitgeoefend door het formele bestuur op Malta, maar door een ander, en tevens vanuit welke plaats die ander de leiding uitoefent, rust op de Inspecteur. De Inspecteur is in de op hem rustende bewijslast geslaagd. Hij heeft aannemelijk gemaakt dat belanghebbendes in Zwitserland woonachtige aandeelhouder/bestuurder enkele keren per jaar naar Malta is afgereisd om aldaar – samen met de Maltese bestuurder(s) – tijdens bestuursvergaderingen besluiten te formaliseren die door de cfo van een 100%-dochtervennootschap van belanghebbende, al dan niet tezamen met de aandeelhouder/bestuurder, reeds in Nederland waren genomen op het hoofdkantoor van deze dochtervennootschap. Door de aan het trustkantoor verbonden bestuurder(s) zijn geen relevante kernbeslissingen genomen met betrekking tot belanghebbendes bedrijfsactiviteiten. Belanghebbende was dus in de onderhavige jaren verdragsinwoner van Nederland. Dan is niet in geschil dat de navorderingsaanslagen terecht zijn opgelegd. Zelfs als belanghebbende voor verdragstoepassing geacht zou worden inwoner van Malta te zijn, zou Nederland ingevolge de “remittance base”-bepaling van het Verdrag de uit Zwitserland afkomstige rente als onderdeel van belanghebbendes belastbare winst mogen belasten. Op het in 2011 uitgekeerde dividend is nog het Verdrag met Zwitserland 1951 van toepassing. De woonplaats van een rechtspersoon wordt onder dit verdrag bepaald “volgens de belastingwetgeving van elk van beide Staten”, zodat een naar Nederlands recht opgerichte BV steeds in Nederland is gevestigd. Het Drielandenpuntarrest (BNB 2001/295) mist daarom betekenis voor de toepassing van zowel het woonplaatsartikel als het dividendartikel in dit verdrag. Nederland mag het dividend in de heffing van dividendbelasting betrekken. Op het in 2012 uitgekeerde dividend is het Verdrag met Zwitserland 2010 van toepassing. Als belanghebbende verdragsinwoner van Nederland is, kan Nederland het dividend belasten naar een tarief van ten hoogste 15%. Belanghebbende is zowel bij een feitelijke vestigingsplaats in Nederland als op basis van de vestigingsplaatsfictie in beginsel volledig onderworpen aan belastingheffing in Nederland (‘full tax liability’; vgl. het Drielandenpuntarrest), zodat zij verdragsinwoner is van Nederland. De onderworpenheid van belanghebbende in Nederland wordt niet aangetast door de toepassing van het Verdrag met Malta, omdat belanghebbende voor de toepassing van dat verdrag inwoner van Nederland was. Belanghebbendes inwonerschap van Nederland voor de toepassing van het Verdrag van Malta brengt tot slot mee dat het verbod op extraterritoriale dividendbelastingheffing niet in de weg staat aan het opleggen van de naheffingsaanslagen. Het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep is gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken