Conclusie A-G Wattel 29 juni 2022, ECLI:NL:PHR:2022:640

Belastingrente - Spiegelcorrecties omzetbelasting en bijdragen BTW-compensatiefonds; veel minder belastingrente vergoed over BTW-compensaties dan berekend over de daarmee corresponderende naheffingen; begunstigend beleid? Feiten: De belanghebbende gemeente heeft op 2 december 2015 suppletieaangiften omzetbelasting gedaan over 2012 en 2013 en op 9 mei 2017 ook over 2014 en 2015. De Inspecteur heeft daarop over die jaren vier naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd die deels zien op bedragen die de belanghebbende aan het BTW-compensatiefonds had moeten terugvragen, maar die zij ten onrechte in haar aangiften had verrekend met door haar verschuldigde omzetbelasting. Voor de bijdrage uit het BTW-compensatiefonds heeft zij op 2 december 2015 (voor 2012 en 2013) en op 9 mei 2017 (voor 2014 en 2015) alsnog opgaven aan de Inspecteur gedaan. Aan de belanghebbende is naast de naheffingen belastingrente in rekening gebracht. Op de corresponderende BTW-compensaties is veel minder belastingrente vergoed dan de belastingrente bij de naheffingen. In geschil is of de belanghebbende terecht en tot de juiste bedragen belastingrente in rekening is gebracht over de van haar nageheven omzetbelasting. De Rechtbank heeft het beroep op rente-neutraliteit verworpen omdat de belastingrente is berekend volgens de wet, waaruit volgt dat bij tegenover elkaar staande suppleties die leiden tot alsnog te betalen omzetbelasting en daarvoor alsnog te ontvangen BCF-compensatie, de te betalen en de te vergoeden belastingrente separaat berekend worden over verschillende tijdvakken. Per saldo wordt daardoor in gevallen als dat van de belanghebbende meer rente in rekening gebracht dan vergoed. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de wetgever dit verschil heeft onderkend en in zoverre geen renteneutraliteit heeft beoogd. De belanghebbende kan zich volgens de Rechtbank niet beroepen op begunstigend beleid, omdat BTW-compensatie geen belasting is, maar een compensatieregeling waarvan slechts de uitvoering is opgedragen aan de Inspecteur. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd, niet meer overwegende dan dat de Rechtbank op basis van de beschikbare gegevens op goede gronden, begrijpelijk en juist heeft geoordeeld dat ter zake van de beschikkingen belastingrente het gelijk aan de zijde van de Inspecteur is. In cassatie betoogt de belanghebbende dat de renteberekening geen recht doet aan de door de wetgever bij de invoering van het BTW-compensatiefonds beoogde rente-neutraliteit. Zij voert daarnaast aan dat het geld bij de Belastingdienst stond en dat dan geen belastingrente verschuldigd is. Zij wijst op begunstigend beleid van die strekking van de Belastingdienst, dat volgens haar ook voor BCF-bijdragen geldt. A-G Wattel meent dat in beginsel terecht belastingrente is berekend over de naheffingen die die onjuiste vooraftrek corrigeerden, gegeven dat de belanghebbende minder omzetbelasting heeft voldaan dan volgens de Wet OB was vereist. Zij had recht op compensatie voor de verschuldigd geworden BTW over die jaren 2012 t/m 2015, maar zij heeft pas op 2 december 2015 respectievelijk 9 mei 2017 daarvan opgave gedaan, na herstel van haar onjuiste aangiften op die data. Na die opgaven zijn haar BCF-bijdragen bij beschikkingen van 1 augustus 2017 toegekend, waarop haar overeenkomstig de wettelijke bepalingen rente is vergoed. Dit betekent dat rente is vergoed vanaf 8 weken na de ontvangst door de Inspecteur van haar BCF-opgaven van 2 december 2015 respectievelijk 9 mei 2017. De rente begon dus niet te lopen op het moment waarop het recht op bijdragen uit het BCF in de jaren 2012 t/m 2015 ontstond. Dit heeft de wetgever zo gewild. Dan kan volgens de A-G niet gezegd worden dat hij de daaruit voortvloeiende onevenwichtigheden niet heeft voorzien, met name niet in gevallen waarin de belanghebbende het, zoals in casu, mede aan zichzelf te wijten heeft dat de bijdrage-opgaven over de jaren 2012 t/m 2015 niet zijn gedaan voor het einde van de maand volgend op het tijdvak waarin het recht op bijdrage uit het BCF is ontstaan. Daarop strandt onderdeel 1 van het middel. Ook belanghebbendes beroep op begunstigende beleid mist volgens A-G Wattel doel. Dat beleid ziet op gevallen waarin rente wordt berekend over belasting die al is betaald. De BCF-bijdrage is geen belasting(restitutie), maar een compensatieregeling die zich in beginsel volledig buiten de heffing van (omzet)belasting afspeelt. Uit het weergegeven beleid valt volgende de A-G niet op te maken dat het ook zou zien op verschillende (belasting)middelen, laat staan op niet-belastingmiddelen, ook niet als voor het heffingssysteem van het ene middel verwezen zou worden naar het heffingssysteem van het andere of als twee middelen in een bepaalde mate zouden samenhangen, al dan niet spiegelbeeldig. De belanghebbende heeft bovendien juist niet de (omzet)belasting betaald die zij op de rekening van de fiscus had moeten zetten. Evenmin heeft zij (ten onrechte) bedragen aan het BCF-fonds betaald die zij later terugkreeg. A-G Wattel meent dat in die omstandigheden, waarin juist niet de verschuldigde BTW is betaald en waarin de BTW-compensatie-opgave voor 2012-2015 pas op 2 december 2015 respectievelijk 7 mei 2017 is gedaan, niet gezegd kan worden dat er geld van de belanghebbende aan de fiscus ter beschikking stond of dat rente is berekend over een belastingbedrag dat de belanghebbende al aan de fiscus had betaald. Conclusie: ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken