Rb. Den Haag 5 november 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:12474
Eiser is bestuurder geweest van twee vennootschappen, die failliet zijn verklaard. In het faillissementsverslag van de curator is opgenomen dat eiser € 31.000 aan de boedel heeft betaald en aan hem dientengevolge finale kwijting is verleend. Verweerder heeft eiser na het einde van de faillissementen aansprakelijk gesteld voor de onbetaald gebleven naheffingsaanslagen loonheffingen. Volgens eiser kan hij op grond van de Leidraad Invordering 2008 niet aansprakelijk gesteld worden door verweerder, omdat er sprake is van samenloop tussen de aansprakelijkstellingen door de curator en verweerder. Eiser is naar het oordeel van de rechtbank terecht aansprakelijk gesteld door verweerder. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat er sprake was van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Er is geen sprake geweest van samenloop van de aansprakelijkstellingen tussen verweerder en de curator, aangezien de curator de aansprakelijkstellingsprocedure niet heeft doorgezet. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl