Conclusie A-G Koopman 13 september 2024, ECLI:NL:PHR:2024:936
Aansprakelijkheidstelling; leidt uitstel van betaling voor de aansprakelijkheidsschuld ook tot uitstel van betaling van de belastingschuld? Deze zaak gaat over de verjaring van het recht op dwanginvordering van een aansprakelijkstelling. De belastingschuldige zelf bestaat niet meer. De Ontvanger meent dat hij de verjaringstermijn jegens de aansprakelijkgestelde heeft verlengd door uitstel van betaling te verlenen voor de onderliggende belastingschuld. De vraag is of dit kan. De belanghebbende in deze zaak was bestuurder van twee besloten vennootschappen. Aan de vennootschappen waren naheffingsaanslagen in de loonheffingen opgelegd. De vennootschappen betaalden de naheffingsaanslagen niet en gingen failliet. De Ontvanger heeft toen belanghebbende aansprakelijk gesteld voor de onbetaald gebleven naheffingsaanslagen. De Ontvanger heeft voor het eerst op 3 april 2018 aan belanghebbende medegedeeld dat een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar gaat lopen voor de naheffingsaanslagen. Bij brieven met dagtekening van 1 mei 2023 heeft de Ontvanger een tweede de verjaring stuitende mededeling gedaan. Dat lijkt net te laat, maar belanghebbende had eerder om uitstel van betaling voor de aansprakelijkheidsstellingbeschikkingen gevraagd voor de duur van de tegen de aansprakelijkstelling gevoerde beroepsprocedure, en dat uitstel gekregen. Belanghebbende heeft bij het Hof beroep gedaan op verjaring van het recht van dwanginvordering. De Ontvanger betoogde dat met het verleende uitstel ook de verjaringstermijn van de onderliggende belastingaanslagen al was verlengd, zodat de stuiting op 1 mei 2023 tijdig was. A-G Koopman overweegt ten eerste dat de aansprakelijkheid geen afzonderlijke verjaringstermijn kent; als het recht op invordering van de belastingschuld vervalt, vervalt ook het recht van de ontvanger om jegens de aansprakelijkgestelde invorderingsmaatregelen te nemen. Als wettelijk uitgangspunt geldt dat de rechtsvordering tot betaling van een belastingschuld verjaart vijf jaar nadat de voorgeschreven betalingstermijn is verstreken. De verjaringstermijn kan worden verlengd met de tijd van de uitstel van betaling. Daarnaast kan de ontvanger kan de verjaring stuiten door een schriftelijke mededeling waarin hij zich ondubbelzinnig zijn recht op betaling voorbehoudt. Indien een belastingschuldige is opgehouden te bestaan, treedt de aansprakelijkgestelde voor die belastingschuld in de plaats, voor zover het betreft de stuiting van de verjaring of de verlening van de verjaringstermijn. In deze zaak rijst de vraag of die in-de-plaats-treding zich mede uitstrekt tot verzoeken om uitstel van betaling, en de verlening van dit uitstel. Anders gezegd: als in een situatie waarin de belastingschuldige niet meer bestaat, de aansprakelijkgestelde om uitstel van betaling vraagt, geldt het verleende uitstel dan ook als uitstel voor de betaling van de belastingschuld zelf, en wordt daardoor dan de verjaringstermijn voor de aansprakelijkstelling verlengd met het uitstel? A-G Koopman meent dat die vraag ontkennend moet worden beantwoordt, omdat een verleend uitstel van betaling van de belastingschuld er zijns inziens toe leidt dat de belastingschuldige zelf niet (meer) in gebreke is en dat de grondslag voor de aansprakelijkstelling daarmee vervalt. Als daarentegen wordt aanvaard dat na uitstel van betaling voor de belastingschuld de aansprakelijkstelling in stand blijft en de verjaringstermijn wordt verlengd, is van belang dat het ambtshalve verlenen van uitstel dat weliswaar de verjaringstermijn verlengt, maar dat de verjaringstermijn niet tegen de wil van betrokkene mag worden verlengd, zover deze aan de ontvanger kenbaar heeft gemaakt dat hij geen uitstel van betaling wenst. A-G Koopman is van mening dat het zorgvuldigheidsbeginsel eraan in de weg staat dat de ontvanger ambtshalve uitstel van betaling voor een belastingaanslag verleent als hij weet dat de betrokkene wel gek zou zijn als hij dat uitstel zou willen. Verder valt naar zijn mening niet goed te begrijpen waarom een ontvanger aan een niet meer bestaande persoon uitstel van betaling zou verlenen, behalve als ervan uitgegaan wordt dat hij dit uitstel niet verleent om het uitstel zelf, maar om de verlenging van de verjaringstermijn voor de aansprakelijkheid. De Staatssecretaris verdedigt de opvatting dat art. 27(2) IW 1990 bewerkstelligt dat aan de aansprakelijkgestelde verleend uitstel van betaling voor het bedrag van de aansprakelijkstelling, automatisch en rechtstreeks leidt tot verlenging van de verjaringstermijn van de aanslag. Voor die opvatting ziet de A-G onvoldoende steun in wettekst, wetsgeschiedenis en de strekking van die bepaling. Bovendien speelt hier de transparantie een rol. De opvatting van de Staatssecretaris zou onduidelijkheid doen ontstaan over het moment waarop de aansprakelijkheid verjaart. Die onduidelijkheid behoort naar de mening van de A-G niet voor risico van de aansprakelijkgestelde te komen. De voorkeur van A-G Koopman voor een beperkte lezing van de in-de-plaats-treding zal de ontvanger naar zijn inschatting niet voor onoverkomelijke problemen plaatsen. Hij kan nog altijd een de verjaring stuitende mededeling doen. De A-G overweegt dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat het recht op dwanginvordering van de belastingschuld is verjaard en dat de aansprakelijkstelling daarom dient te vervallen, en dat het middel tevergeefs wordt voorgesteld.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof Amsterdam 28 november 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2936
- HR 14 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:563
- HR 31 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:516
- HR 31 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:518
- Rb. Zeeland-West-Brabant 3 juni 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:2817
- Hof Arnhem-Leeuwarden 1 maart 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1678
- HR 7 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:709
- Hof Den Haag 19 juni 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1208
- Rb. Den Haag 5 november 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:12474
- HR 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:357
- HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:930
- HR 11 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5396
- HR 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3927
- HR 18 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ4910
- HR 11 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK5982
- Hof 's-Hertogenbosch 22 oktober 2002, ECLI:NL:GHSHE:2002:AF0954
- HR 20 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7151
- Conclusie A-G Wattel 20 september 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA7151